Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cunninghami, tot do aan de Ericaceeën verwante familie der Ej/acridaceae behoorende, afgebeeld op blz. 325, in Fig. 6, worden daarentegen de zeer nauwe mazen van bet net gevormd door in de lengte verloopende zijnerven van het net.

Een zeer eigenaardige vorm van topnervige bladeren komt voor bij bladeren, door oudere plantkundigen voetnervig genoemd. Uit den bladsteel treden drie afzonderlijke nerven in den voet van de bladschijf; de middelste nerf is betrekkelijk dun en loopt naar den top van het blad; de beide zijdelingsche zijn dik, buigen zich dadelijk, nadat ze in de bladschijf zijn binnengekomen, boogvormig naar rechts en links, vormen vaak een stevigen rand voor de hartvormige insnijding van het blad en zenden dan naar den voorrand der bladschijf zijnerven uit, die aan de hoofdnerf in dikte en lengte zoo goed als gelijk zijn, en bij oppervlakkige beschouwing zelfs voor hoofdnerven zouden kunnen worden gehouden. Deze rangschikking vindt men bij Mansoor, Asarum Kuropaeum en bij Asarum Cunadeiise; verder bij de Gewone Pijpbloem, Aristolochia clematitis, bij talrijke Viooltjes en Ranunculaceën en bij 'tParnaskruid, I'arnassla j.alustris, waarvan een blad op de afbeelding van blz. :525 in Fig. 7 is voorgesteld.

Kromnervig of cauipglodrooin noemt men bladeren, welker hoofdnerven, met vele te gelijk, maar altijd afzonderlijk do bladschijf betreden, en waarvan de buitenste in een aan den rand van het blad bijna evenwijdig loopenden boog naar den top van het blad gaan. De zijnerven, die dikwijls zoo fijn zijn, dat men ze met het bloote oog niet kan onderscheiden, vormen altijd spaken, in dwarse richting tusschen de hoofdnerven uitgespannen. Hij het op bovenstaande afbeelding in Fig. :? voorgestelde blad van bet T we e b 1 a d i g I) a 1 k r u id, Mitjunflieinum bifoliiun, is het aantal hoofdnerven zeer groot, en de dwarsloopende zijnerven zijn kort; bij het in Fig. 8 gegeven blad van K ik kerk ru id, llydrwharis ihoi sus ranae, gaan er slechts vijf hoofdnerven door do bladschijf, terwijl de verbindende zijnerven lang en duidelijk te zien zijn.

Hij de Scitdinineae, met name bij de daartoe behoorende 15 a n a n e n of Pisang plan ten, de Musaceae, maken de hoofdnerven den indruk van langs den rand loopende zijnerven, die van een enkele middelste hoofdnerf uitgaan. Let men echter nauwkeuriger op, dan blijkt, dat de dikke nerf, als een kiel midden door het blad loopende en do voortzetting vormende van den forschen bladsteel, niet uit één hoofdnerf, maar uit verscheiden dunne, afzonderlijke hoofdnerven bestaat, gelegen in een weefsel massa, die uit groote cellen bestaat. Die hoofdnerven buigen na elkander bijna rechthoekig uit den zeer dikken bundel van het midden en loopen naar den rand van het blad.

Bij de soorten van de drie geslachten tot de Musaceae behoorende, Van na, Musa en llavenala (men zie de groote afbeelding hiernevens van Ramiula Ma dagascariensis, de z.g. Waterboom, Arbre des najagen rs of „Poehoen Ajer" in het Maleisch) ziet men geregeld, dat spoedig na de ontplooiing dor in 'jeugdigen toestand buisvormig opgerolde bladschijf, het groene weefsel min of meer scheurt, waardoor de geheele plant er zeer merkwaardig begint uit te zien. De scheuren loopen steeds evenwijdig met die deelen van de genoemde dunne

Sluiten