Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzonderlijke soorten van planten bij den bouw harcr bladschijven de verdeeling en de rangschikking der nerven met de grootste nauwkeurigheid trouw worden in acht genomen. Des te merkwaardiger is het feit, dat dit niet altijd ook van geslachten en familiön van planten geldt. Er zijn wel plantonfamiliën, waarvan alle geslachten en soorten in dit opzicht groote overeenkomst vertoonen, als bij voorbeeld de Rhinanthaceeën, Asperifoliaceeën, Melastomaceeën en Myrtaceeën, maar tegenover deze gevallen staan andere, waar het omgekeerde bij valt waar te nemen. Zoo bij voorbeeld vertoonen de verschillende geslachten van Primu1 aceeën allerlei ver uiteenloopende verschillen, en zelfs de afzonderlijke soorten van het geslacht Primula wijken, wat betreft rangschikking en verloop der nerven in de bladschijven der bladeren, meer van elkander af dan bij voorbeeld de Myrtaceeën van de Asperifoliaceeën.

Desniettemin heeft de nauwkeurigste bepaling en beschrijving der nervatnur in de bladeren voor dien tak der botanie, welks taak het is voor de afzonderlijke soorten vaste kenmerken en onderscheidingsteekenen te zoeken, alsook voor het streven der plantkundigen, om een gemeenschappelijk grondplan te vinden voor den bouw van grootere plantengroepen, hooge waarde, en daarom wordt aan den loop der nerven in den nieuweren tijd veel aandacht gewijd. De grootste beteekenis echter heeft het zorgvuldig onderzoek van de verdeeling der nerven in de bladeren voor de palaeontologie en dus voor de geschiedenis der plantenwereld. W at er van planten uit vroegere perioden in de lagen der gesteenten is overgebleven, bestaat in hoofdzaak uit afzonderlijke bladeren of gedeelten van bladeren, waaraan vaak niet veel te zien is. Aan die brokstukken kan men menigmaal de randen in 't geheel niet herkennen, laat staan dan den geheelen omtrek der bladschijf. \\ at echter zelfs aan het kleinste fragment van een blad kan worden onderscheiden, zijn de nerven en 't netwerk van fijnere nerven tusschen do grovere. Vaak genoeg is de palaeontoloog genoodzaakt, besluiten te trekken uit zulke geringe overblijfselen, als hij inlichtingen wenscht omtrent de soorten van planten, die in lang vervlogen tijden op onze aarde voorkwamen. Dan krijgt het eenvoudigste bladskeletje een gewichtige beteekenis. Zooals de onderzoeker, die de geschiedenis van het menschengeslacht wil opbouwen, uit de letters en teekens van een met moeite ontcijferde papyrusrol, besluiten trekt aangaande de staatkundige instellingen, de huishouding, de zeden en gewoonten en de intelligentie van de voor 2000 jaren in het Nijldal wonende bevolking, zoo kan de plantkundige, die de geschiedenis der planten onderzoekt en den samenhang van 't heden en verleden daarin opspoort, uit de fossiele bladeren do in lang vervlogen tijdperken levende soorten herkennen, en eruit lezen, hoe de plantengroei vóór verscheiden duizenden jaren was.

Al zijn er nog veel leemten in de in deze richting verkregen resultaten van het onderzoek, al zullen de uitkomsten bij herhaalde onderzoekingen van nog rijker materiaal veel aanvulling en verbetering moeten ondergaan, de geschiedenis der plantenwereld is toch iu hoofdtrekken vastgesteld, en wat in

Sluiten