is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regel tot dichte kransen vereenigd. Men kan deze dicht opeengehoopte hoogere overgangsbladeren meer in het bijzonder bloeibladeren noemen. Alle te zamen duiden wij echter het best aan met den samenvattenden naam de bloem.

I)e as, die door de bloem wordt afgesloten, is slechts in zeldzame gevallen, met name slechts bij sommige éénjarige kruiden, de rechtuitgaande verlenging van de spruit of loot, die voortkwam uit den eersten in de kiem aangelegden knop, zooals de afbeelding op blz. 12 van Dl. I er een laat zien. In dit geval volgen aan denzelfden stengel boven do gewone bladeren onmiddellijk de tot bloem vereenigde hoogere overgangsbladeren, en de bloem wordt dan eindbloem genoemd. Veel meer komt het voor, dat de bloemdragende loot of de bloemsteel zijwaarts aan een ander deel der plant is bevestigd en dicht boven een blad, dat draag blad wordt genoemd, ontspringt; in dit geval spreekt men van ok seist a ndige bloemen. Gewoonlijk zijn verscheiden bloemen op een bepaalde wijze gegroepeerd en voor zulke groepeeringen heeft men de benaming bloem groep, bloei wij ze of inflorescentia gekozen. Het draag blad, foliant fulcrans, komt öf in vorm, grootte en kleur met do lager staande, gewone groene bladeren overeen en wordt dan bladachtig genoemd, öf het wijkt in vorm en grootte alsook in kleur van de gewone bladeren af en draagt dan den afzonderlijken naam van schutblad, bractea.

Zulke van de gewone bladeren verschillende schutbladeren staan altijd reeds in een bijzonder verband met de bevruchtingsprocessen en worden daarom mede tot de hoogere overgangsbladeren gerekend. Menigmaal wordt een geheele bloeiwijze slechts door een enkel zeer groot schutblad omhuld of gedragen en bij zulke inflorescenties, die bij voorbeeld voor palmen en aroïdeeën zeer karakteristiek zijn, treft men de schutblaadjes aan den voet der afzonderlijke bloemstelen gewoonlijk in onontwikkelden staat aan. Het groote algemeene schutblad heet daar bloeischeede of spathu. (Zie Fig- 1 van nevenstaande afbeelding). Somtijds komt een deel der bloemen van een bloeiwijze niet tot ontwikkeling en dan krijgt men schutbladen te zien zonder daarboven staande bloemen. Als zulke „ledige schutbladen" opgehoopt zijn aan den voet der bloeiwijze, in één vlak zijn gelegen of gegroepeerd zijn in dicht aaneengesloten schroefomgangen, dan spreekt men van een omwindsel, iiirolucrum; zijn ze te zien aan den top der geheele bloeiwijze, dan wordt de groep, die zij vormen, een kuif of coiua genoemd. Kleine, stijve, droge en bladgroenlooze schutblaadjes, in 't midden van bloeiwijzen met dicht opeengedrongen bloemen, lieeten stroo schubben, paleae.

Bij de bloemen onderscheidt men bloembekleedselen, meeldraden en vruchtbladen. De bloembekleedsels zijn geplaatst in spiralen of in cirkels. Het eerste neemt men waar bij de Waterlelies, 11.1. de verschillende soorten van het geslacht Nijmphuea, verder bij Calycanthus, hiernaast in bit/. 4 afgebeeld en bij do Cactaceeën, te zien op de afbeeldingen van blz. 399 in Deel I en in Fig. 2 op nevenstaande afbeelding. Bij do bloemen van het geslacht Ki/mphcieo zijn alleen de bovenste bloembekleedselen in een spiraal gezeten, bij Cactaceeën en bij Colgcnnthus vertoonen alle bloembekleedselen