Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiden, in elk geval meer dan vier lengterijen en daardoor soms wel meer dan 30 vakjes in het geheel. De met de bloembekleedselen saamgesmolten helmknoppen van de Vogellijm, Viscum, afgebeeld op blz. 340 in Fig. 22, hebben zelfs wel 40 tot 50 stuifmeelvakjes.

Bij de meeste Laurierachtigen, Lauraceeën, komt het voor, dat iedere helmknop in vier hokjes verdeeld is en dat deze in paren boven elkander zijn gelegen. Gewoonlijk gaan alle vier hokjes naar die zijde open, waar de insecten in de bloem binnendringen, als zij er honig trachten te vinden. Men heeft deze rangschikking der hokjes aan verschuiving willen toeschrijven en nam aan, dat hier de anders naar het midden der bloem gekeerde twee antherenhokjes naar boven en naar buiten werden gedrongen, zoodat ze boven de twee naar den buitenkant der bloem gerichte hokjes komen te staan en zich daardoor evenals deze naar buiten openen. Deze meening vindt echter geen steun in de ontwikkelingsgeschiedenis, daar de bedoelde rangschikking reeds in de allereerste jeugd der helmknoppen van deze planten wordt waargenomen.

Een groote verscheidenheid in den vorm der helmknoppen wordt veroorzaakt door de uiteenloopende grootte van het helmbindsel in verhouding tot de door dat bindsel gedragen helmhokjes. Bij de meeste K a nunculaceeën, Magnoliaceeën, Waterlelies en Papaverachtigen is het helmbindsel zeer breed en de helmhokjes vormen slechts een smallen zoom, als 't ware een lijstje daarvan (zie blz. 340, Fig. 17). Bij Scutellnria, Glidkruid, bij Calluntintha, Steenthijm, bij Thymus, Thijm (zie F'kj. 25) en bij veel andere Lipbloemen, alsook bij veel Rosaceeën, Rosa, Agrimonia en andere, is het helmbindsel een massief driehoekig, vierhoekig of zeshoekig weefsellichaam, waarin de eivormige of ronde helmhokjes gelegen zijn, en zulke helmknoppen gelijken dan dikwijls op den kop van een insect met één oog aan eiken kant. In vele andere gevallen kan een grens tusschen helmbindsel en helmdraad niet worden aangegeven; de geheele meeldraad doet zich dan voor als een korte, dikke zuil of als een aambeeld, waarin, in nisvormige ruimten, het stuifmeel besloten is.

Somwijlen vormt het helmbindsel een door de korte zuil gedragen, dwarsloopenden hefboom en is met den helmdraad door een soort van gewricht verbonden, zooals bij veel soorten van Salie, Salvia, 't geval is, afgebeeld op blz. 340 in Fig. 21. Bij het geringste stootje schommelen zulke helmbindsels als weegschaalarmen op het steunpunt van 't gewricht op en neer. Ook bij veel Lelieachtigen, met name bij Tulpen, Lelies en Keizerskroon, (Tulipn, Lilium, Fritillaria) en bij eenige soorten van Gentianen b.v. Gentiana ciliuta en ixtiut, is het met de beide helmhokjes over de geheele lengte vergroeide helmbindsel slechts op een zeer klein plekje met den helmdraad door middel van een gewricht verbonden, en als men tegen den helmknop stoot, raakt hij licht in schommelende beweging. Een opvallende tegenstelling daarmee vormen de helmbindsels, die tot een zeer smal, geheel door de helmhokjes bedekt weefsel lichaam zijn gereduceerd. Als voorbeeld daarvan kan dienen Mirabilis Jalapja, afgebeeld op blz. 340, in Fig. 23.

Dat door de gedaante der helmhokjes ook het voorkomen van den

Sluiten