Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helmknop, ja van den geheelen meeldraad wezenlijk wordt beheerscht, spreekt vanzelf. Alle mogelijke overgangen komen voor van den bolronden vorm tot dien van een ei, en van de eivormige gedaante tot de langwerpige en de lijnvormige. De afbeeldingen van 32 verschillende meeldraden op blz. 340, geven zoo ongeveer een beeld van de in dit opzicht bestaande groote verscheidenheid. Een wonderlijken indruk maken de boogvormige helmhokjes van Cyclanthera, hieronder afgebeeld, en de als de horens van een ram gedraaide helmhokjes van

Acalypha, afgebeeld op blz. 340, in Fig. 26; even eigenaardig zijn de gedraaide helmhokjes van de Cucurbitaceeën, waarvan als voorbeeld Bryonia dioica werd gekozen, zie Fig. 27 van blz. 340. Er bestaan trouwens Kalebassen, aan welker helmknoppen de helmhokjes nog veel meer gewonden en gekronkeld zijn dan aan dit voorbeeld, zoodat ze levendig herinneren aan de kronke¬

lingen en windingen in de groote hersenen van den mensch. D»us'»'.i'i5f

jes in de bloem van Phyllanthus cyclanthera.

De vruchtbladen, carpophylla, zijn evenals de bloembekleedselen en de meeldraden, nu eens in kransen of cirkels, dan in spiralen gerangschikt. Bij een deel der zichtbaar bloeienden zijn ze schubvormig en vertoonen vrije, niet met elkander vergroeide randen, bij een ander deel zijn ze opgerold en aan de randen vergroeid, zoodat daardoor een gesloten orgaan ontstaat, dat een zekere ruimte omsluit, de stamper, pistillum. Zijn in een bloem meer vruchtbladeren aanwezig, dan kan elk blad een afzonderlijken stamper vormen en dan doen zich de meer of minder talrijke, éénbladige stampers voor in spiraal- of stervormige rangschikking als afsluiting van de as in het midden der bloem, zooals bij voorbeeld bij Ranu nculaceeën, waarvan op blz. 337, in Fig. 4, liaiiunculus glacialis, afgebeeld is. Bij amandels, pruimen en kersen, verder bij Vlinderbloemigen en eenige andere hiermee verwante plantengroepen is aan 't eind van de bloemdragende as enkel één éénbladige stempel ontstaan. Het meest vindt men echter in het centrum der bloem verscheiden in kransen geplaatste vruchtbladeren, vergroeid tot een enkelen stamper, zooals de afbeelding op blz. 337, in Fig. 1, van Phytolacca decandra, te zien geeft.

Naar den aard en den graad der vergroeiing onderscheidt men een groot aantal bouwplannen van meerbladige stampers, die vooral ter karakterizeering van familiën en geslachten uitstekende punten van onderscheiding aanbieden. De grootste verschillen hangen daarmee samen, dat de eene maal de in een krans geplaatste vruchtbladen over hun geheele lengte met elkander zijn saamgegroeid, terwijl zich een anderen keer de vergroeiing alleen tot de onderste gedeelten beperkt; dat menigmaal de opgerolde, vergroeide randen van aangrenzende vruchtbladen tot schotten worden in het inwendige van den stamper, zoodat er hokjes worden gevormd, terwijl in andere gevallen geen tusschenschotten ontstaan en de vruchtbladen zich als de duigen van een vat tegen elkander aan leggen en een onverdeelde ruimte samen omsluiten.

Sluiten