is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in andere gevallen groeit hij in de lengte uit, zoodat de bladeren uit elkander schuiven en wordt dan lange loot, „Langtrieb" of langtakje genoemd. Ook komt het voor, dat dit lagere deel van den stengel afwisselend als lange en als korte loot is ontwikkeld. Als zich de stengel der lagere overgangsbladeren voortzet in den gewonen met groene bladeren bezetten stengel, blijft hijzelf gewoonlijk kort. Hij is dan schijf- of plaatvormig of heeft ook wel den vorm van een korten cylinder of van een kegel. Is bij met groote lagere overgangsbladeren bezet, en veel dikker dan de bebladerde gewone stengel, waar hij onmiddellijk in overgaat, dan draagt hij den naam van schijf of stoel, discus of bulbodium. Die schijf met zijn groote schubvormige bladeren wordt dan bol, bulbus, genoemd. De as daarvan is steeds verticaal geplaatst. In zeldzame gevallen bevindt hij zich boven den grond, zooals bij voorbeeld bij Bouiea volubiUs; in den regel echter onder den grond, zooals bij Leliën, Tulpen en Hyacinthen.

Een korte stengel der lagere overgangsbladeren, die vroeger of later de basis wordt van den stengel, die de gewone bladeren en de bloemen draagt, en die daarbij dun en teer is, wordt surculus, „knopstengel", genoemd. De met schubben bezette knopstengel is, zoolang de gewone bebladerde stengel er nog niet uit is opgegroeid, een knop, yemnw. Later vormt hij in zekeren zin het voetstuk voor den verderen stengel, die gewone bladeren en bloemen draagt, en valt dan weinig in het oog, vooral dan als de schubvormige lagere overgangsbladeren hem hebben losgelaten en afvallen, zooals bijna altijd geschiedt. Aan den voet van de eerste boven het hypocotyle lid opgebouwde loot is hij slechts zelden ontwikkeld, zooals bij voorbeeld wel bij Muskus kruid, Adoxa Moschatillinci; daarentegen ontbreekt hij bijna nooit aan den voet der zijspruiten van houtige en overblijvende planten. Bij houtgewassen zijn de knoppen boven den grond te vinden, bij overblijvende kruiden treft men ze in hoofdzaak onder den grond aan.

In zekeren zin als een overgangsvorm, tusschen den als korttakje ontwikkelden stengel der lagere overgangsbladeren en den later te bespreken als langtakje uitgegroeiden vorm van dien stengel, doet zich voor de knol. taher. Deze is altijd dikker dan de daarvan uitgaande zijspruiten; de lagere overgangsbladeren eraan zijn zoo ver uit elkander geschoven, dat er een duidelijke afstand tusschen zichtbaar is, en nooit komt het voor, dat ze elkander wederzijds bedekken en omhullen. Die bladeren van den knol zijn ook klein en onbeduidend; zij doen zich meestal als smalle, dwarsloopende lijsten voor of zijn alleen door richels en knobbeltjes aangeduid. Aan oude knollen zijn ze vaak nauwelijks te herkennen. De meeste knollen hebben trouwens een zeer tijdelijk bestaan. Al die knollen, die slechts plaatselijke verdikkingen zijn van een ondergrondschen stengel en waarvan als voorbeeld Solanum tuberosum, de Aardappel, kan dienen, groeien zeer snel, blijven dan ongeveer oen halfjaar in rust, maar gaan, nadat ze uit hun knoppen, de zoogenaamde oogen, stengels hebben ontwikkeld, die hun groene bladeren boven den grond in het zonlicht ontplooien, volkomen te niet. Veel zeldzamer zijn overblijvende knollen. Daaruit komen jaarlijks eenige weinige spruiten te voorschijn, die den knol