Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ve

echter niet volledig uitputten, maar integendeel hem stoffen toevoeren door de oroene bladeren in liet zonlicht bereid, waardoor het weefsel van den knol zelfs

in omvang kan toenemen. .. .

Meestal liggen de knollen onder den grond. Enkele malen vormen zij zich

ook daarboven in de oksels van bladeren, als bij voorbeeld bij het Speenkruid Ficaria ranunculoides, waar die merkwaardige kleine knolletjes bi] ontstaan, die na 't verwelken van het plantje loslaten, op den grond komen te liggen, en, als zij in groote hoeveelheid ontwikkeld werden, tot het fabeltje

•an den aardappelregen aanleiding nebben gegeven. Cl11 " . l 1

Yan de als „lange loten" ontwikkelde stengels uer is een deel groen, terwijl een ander gedeelte geen bladgroen bevat, of er slechts sporen van vertoont. Bij de laatste onderscheidt men de volgende vormen: lo de bovengrondsche draadvormige, windende en woekerende stengels van ie rwwto. Warkruid; 2o. de ondergrondsche dunne, met scheedevor-

i i l• ^i^lrAn/lA onVinkKiin hpklppdfi

mige vliezige, alleen aan den top noornacnuge en —

loten van Triticum repen,, het Kweekgras en van vele hiermee verwante trasachtige gewassen; 3o. de overeindstaande, dikke, stronkachtige, met vei drogende schubben bezette stengels van de Orobanchaceeen en Balanophoreeën, afgebeeld op blz. 230 en 2:35 en 239 van Deel I; 4o. de in den grond liggende, vertakte, met groote vleezige schubben bezette stengels va den Schub wortel, Lathraea squamaria, afgebeeld op blz. 222 van dat l)ee , 5o. de geen wortels bezittende en alleen met dunne schubben bezette koraalvormige, naar alle richtingen vertakte stengels die voorkomen bij Lpipogum aphyllum, en bij Corallorhiza innata; <5o. de onder den grond voortkrmpende, niet dikke vleezige schubben en duidelijke wortels bezette stenge s van Dentana ; eindelijk 7o. de cylindervormige, rijkbewortelde, met diinne, vliezige sc ïunen bezette onderaardsche stengels, zooals ze bij 't Gewoon Sal om onszege , Convallaria polyyonatnm of Polygonatum officinale, bij Euphorbia duim, Zoete Wolfsmelk en nog bij vele andere overblijvende planten voorkomen. Al -leze onderaardsche, als langtakken ontwikkelde stengels der lagere overgangsbladeren worden onder den naam Wortelstok of Rhizoma saamgevat; de zijdelings daarvan uitgaande dunne, vaak ver onder den grond voortloopende takken, noem

men verborgen uitloopers, soboles.

Bij de tot de le, 3e, 4e en 5e van bovengenoemde groepen behoorende

vormen gaat de stengel der lagere overgangsbladeren onmiddellijk over in een stengel, die hoogere overgangsbladeren draagt, dus zijn aan denzo fdcn stengel dan beneden scliubvormige lagere overgangsbladeren te zien, die met de bevruchtingsprocessen niet in rechtstreekschen samenhang staan, terwijl de \eï ei naar boven volgende bladeren bloemdeelen en schutbladen zijn, die de hoog overgangsbladeren vormen. Bij deze planten hebben zich in t geheel geen gewone, groene stengelbladeren ontwikkeld. Zij zijn ook overbodig, wijl deze «ewassen (Cuscuta, Orobanche, Lathraea, Epipoymi), woekerplanten of rottingsplanten zijn, parasieten of saprophyten, dus zelf geen organische verbindingen behoeven te produceeren, daar zij de tot hun verderen groei benoodigde sto

Sluiten