Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan uitgaande bladachtige deelen groene bladschijven bezitten, dus den gewonen bladvorm hebben. Men zou dit stengeldeel ook wel bladstengel kunnen noemen en dan zou zijn meest typisch kenmerk terstond in den naam uitgedrukt zijn, maar daar ook de zaadlobben dikwijls tot bladeren uitgroeien, zou de naam toch nog eenige verwarring kunnen veroorzaken. Waar wij in het vervolg het plantendeel bedoelen waaraan de gewone of eigenlijke bladeren gezeten zijn, zullen wij eenvoudig van stengel of stam spreken: het is wat de Duitschers „Mittelblattstamm", stirps, noemen.

Geen deel van de plant valt zoozeer in het oog als dezen stengel. De in den grond verborgen wortelstokken, knollen, bollen en andere vormen van den stengel der lagere overgangsbladeren onttrekken zich, evenals de wortels, aan het oog; de bloemen, welke de stengel der hoogere overgangsbladeren draagt, zijn zeer tijdelijk van duur, alleen de bebladerde stengels zijn gedurende de gansche vegetatieperiode de deelen der plant, die 't sterkst de aandacht trekken, en als wij in schrift en beeld de plantenwereld in welk gebied ook, in karakteristieke trekken trachten voor te stellen, houden we ons bijna uitsluitend aan de bebladerde gedeelten van grassen, kruiden, struiken en boomen, die, op de meest afwisselende wijze gegroepeerd, het tapijt der weiden vormen, het heester- en struikgewas en de bosschen en wouden. De bouwstijl van den stengel is dus, om zoo te zeggen, ook de bouwstijl der geheele plant.

Dat deze bouwstijl in de eerste plaats samenhangt met de vraag, of de plant lang of kort leeft, is te begrijpen, en bij een poging om de stengels in te deelen moet dus allereerst aandacht worden gewijd aan de in dit opzicht door de botanici gekozen en door kunstuitdrukkingen aangeduide verschillen.

Men onderscheidt monocarpische en polycarpische planten. Met den eersten naam worden planten aangeduid, welker individuen in hun gansche leven slechts één enkele maal bloeien en vrucht voortbrengen en geheel afsterven na de vorming van vruchten en zaden. Polycarpisch of overblijvend zijn daarentegen die gewassen, welker individuen na de eerste vorming van bloemen en vruchten niet sterven, maar in leven blijven en nog verscheiden, vaak zeer vele jaren door kunnen bloeien en vrucht voortbrengen. De monocarpische worden in éénjarige, tweejarige en veeljarige ingedeeld.

Onder den naam éénjarige planten, /ilantae annuac, ook monocyclische planten, plnntae wonocyclicae geheeten, waarvoor in de beschrijvende botanie het teeken Q wordt gebruikt en als welker voorbeeld Mercurialis annua, het Éénjarig Bingelkruid, kan dienen, verstaat men die soorten, welker individuen binnen den tijd van een jaar, vaak binnen dien van eenige maanden ontkiemen, groeien, bloeien en vruchten voortbrengen, maar na bet rijp worden der zaden volkomen afsterven. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat planten, waaraan voor den bouw der geheele plant en voor het rijpen der zaden een zoo korte tijd geschonken wordt, slechts bescheiden van omvang zullen blijven. In het algemeen is dit ook het geval. Hij veel éénjarige soorten, bij voorbeeld bij de tot de Primulaceeën behoorende Dwergbloem, Centunculus minimus, bedraagt de hoogte van den stengel slechts ongeveer 3 centimeter

Sluiten