is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als langtakken worden aangeduid. Elk dezer laatste is echter reeds in den knop bezet met den aanleg van talrijke korttakjes, waarvan elk twee tot zes naaldvormige bladeren draagt. Bij den Arve, 1'inus Cembra, zijn deze korte spruiten dicht opeen gezeten, waardoor betrekkelijk korte, dikke bundels naalden ontstaan. Bij de Lorkenboomen of Lariksen, draagt alleen het benedenste deel van een spruit rijk met naalden bezette korttakjes; het vrije uiteinde is een langtak en de daardoor gedragen bladeren zijn duidelijk van elkander verwijderd. Deze verscheidenheid in de rangschikking van langtakjes en korttakjes bij den Arve en den Lariks blijft natuurlijk niet zonder invloed op het geheele voorkomen van deze beide naaldboomen en op de bosschen, welke zij. in groepen bijeen staande, vormen, zooals de hierbij gevoegde groote afbeeldingen (zie blz. 363 en 369) beter dan woorden zullen verduidelijken.

Voor de lage kruidachtige planten, die afwisselend korttakjes en langtakjes ontwikkelen, kunnen als voorbeelden de soorten van het geslacht Huislook, Sempervivum, gelden. Die planten ontwikkelen eerst kortspruiten met in rozetten gegroepeerde bladeren. Uit do rozet rijst een langspruit omhoog, die overgaat in liet stengeldeel dat de bloemen draagt. Na het rijpen der vruchten sterft dat hoogste stengeldeel af, en uit de oksels der lage in rozetvorm geplaatste bladeren komen rondom langspruiten voor den dag, waarvan ieder weer afgesloten wordt door een korttakje. Ook onder de waterplanten is dit type vertegenwoordigd en wel bij de merkwaardige Scheren, Strafiotes nloides [die in onze slooten vooral in veenstreken voorkomen | waarover wij reeds herhaaldelijk hebben gesproken. Bij deze plant komen, evenals bij de soorten van het geslacht Sempcreivum, uit de oksels van de bladeren der rozet langspruiten te voorschijn, die zoo lang voortgroeien, tot ze voorbij den omtrek der geheele rozet zijn gegroeid. Is dat gebeurd, dan verlengt zich de jonge, horizontaal gestrekte langspruit niet meer, en 't eind wordt weer tot kortspruit of liever een rozet, die in de volgende jaren opnieuw langspruiten uitzendt.

Een dergelijke afwisseling van langtakken en korttakken wordt overigens ook nog bij tal van andere planten waargenomen. Bij Rozen en houtige heestorachtige Spiraea's, bij Meidoorn, Duindoorn, Berberis en Boksdoorn (Lycium), die wij allen later zullen leeren kennen als heggenvormende heesters, ontwikkelen zich aan dezelfde loot deels kort-, deels langtakken.

De stengels van overblijvende planten, die hun bladeren hebben verloren en zich tot massieve, houtig geworden dragers voor de verder groeiende bebladerde takken hebben ontwikkeld, tot stammen dus, zijn in de meeste gevallen het dikst aan den voet en hun omvang neemt naar boven toe langzamerhand af. Bij den Beuk, Fikjus sylvaticci en de meeste Palmen is die afneming in dikte soms zoo onmerkbaar, dat de stam den indruk maakt van een cylindrische zuil. Eenigo palmen, als bij voorbeeld Chamaerops humilis, en ook veel Cecropia's bezitten daarentegen een stam, die onder de door hen gedragen kroon van groene bladeren dikker is dan aan den voet, en bij de wonderlijke Bombaceeën, waarvan een afbeelding op de volgende bladzij, vormt