Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegde knoppen langer dan één jaar in stand blijven, wortel slaan en tot nieuwe planten uitgroeien, terwijl de loten zelve, waaraan de knoppen zijn ontstaan, sterven en spoedig vergaan, waardoor de verbinding met de moederplant wordt opgeheven. Deze loten zijn altijd dun, vaak zoo fijn, dat ze op een diaad gelijken, zoodat daaraan, als aan deelen, die toch spoedig moeten verdwijnen, niet veel bouwmaterieel verspild wordt. In architectonisch opzicht kan men twee verschillende vormen van deze tweede groep der liggende stengels onderscheiden, waarvoor de botanische kunsttaal de namen uitloopers en wortelranken, stolones en sarinenta, heeft vastgesteld.

Onder den naam uitlooper of stolo verstaat men een plat neerliggenden, na jaar en dag afstervenden stengel, die rijkelijk en op niet al te groote onderlinge afstanden met bladeren is bezet. In de oksels van vele dezer bladeren worden geen knoppen gevormd en dikwijls zijn het alleen de einden der uitloopers, waaraan uit de oksels van zeer verkleinde bladeren wortelende knoppen ontstaan. Hiertoe behooren van bekende planten de V-inca, Maagdepalm, en het Steenzaad van de soort Lithospenuum purpureo-coeruleuin. De van een oudere plant uitgaande loten dezer soorten vormen een vlakken, met bladeren rijk bezetten boog, die met zijn vrij uiteinde op den grond ligt, zich daar verdikt, in een donkere spleet of in den humus van den grond naar binnen groeit, wortel slaat en door de gevormde wortels nog dieper in den bodem wordt getrokken. Dit in de aarde gedrongen eind van den uitlooper leeft dan in het volgende jaar, om zoo te zeggen, op eigen voeten; het groeit uit tot een nieuwe plant, terwijl het boogvormige deel van den uitlooper vroeger ot later afsterft en gewoonlijk reeds in het eerstvolgend jaar, of in het jaar daarop, spoorloos is verdwenen.

De uitloopers van het Penningkruid, Li/simachia nummularia, zijn evenzoo gebouwd, maar bij deze plant liggen de loten vlak op den grond; er heeft geen verdikking plaats aan het uiteinde; de toppen zijn niet lichtschuw en dringen ook slechts zeer weinig in den grond binnen. In de oksels der kleine bladeren, bij den top van den uitlooper, ontstaan knoppen, die wortel slaan en die in 't volgend jaar tot liet uitgangspunt worden voor nieuwe planten. \ erschillende soorten der geslachten Steenbreek, S'txifraga en Huislook, Sempervivum, ook het Kruipend Zenegroen, Ajixjn reptans, eenige Havikskruiden, als Hieracium pilosella, Langharig Havikskruid en Hieracium auricula, het Spits Havikskruid en talrijke andere planten ontwikkelen rijkbebladerde uitloopers, die aan hun vrij einde uitgroeien tot kort-spruiten en daar ook wortel slaan. De bladeren zijn bij deze kort-spruiten in rozetten gerangschikt; de spruit groeit in het volgend jaar tot een nieuwe plant uit, terwijl de uitlooper zelf te gronde gaat.

De wortel rank, sannentum, onderscheidt zich van den uitlooper daardoor, dat haar stengelleden zeer verlengd zijn, en dat alleen op groote afstanden van elkander de bladeren en de knoppen er zich aan ontwikkelen, om tot uitgangspunten voor nieuwe planten te worden. De lange naakte stengelleden zijn altijd draadvormig en gaan steeds binnen het jaar te niet. Een gedeeltw

Sluiten