Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitvoeriger zal worden gehandeld; eindelijk ook nog eenige Egelskoppen,

Sparganium-soor ten.

Bij deze groep voegt zich een tweede, als welker vertegenwoordigster

kan optreden de zeldzame, in de wateren van Madagascar inheemsche Aponogeton fenestrale of Ouviranda fenestralis en die om hare bladeren in het Duitsch Gitterpflanze", d. i. „Tralieplant" heet. Haar stengels zijn kort, de daarvan uitgaande wortels liggen diep in het slijk en de gesteelde bladeren breiden zich als een rozet uit over den slijkerigen bodem van den plas. Het parenchym, «lat gewoonlijk de mazen van de netvormig verbonden vaatbundels pleegt te vullen, ontbreekt, en de nerven, die het geraamte van de bladschijf vormen, zijn slechts met een dunne laag bladgroenhoudende cellen bedekt, zoodat het geheel gelijkt op een in den herfst van den boom gevallen en onder water geweekt blad, waarvan na het uitvallen van het gemakkelijk verrottende parenchym slechts

het nervenskelet is overgebleven.

Bij de soorten der derde groep, waarbij Aponogeton distachyum en de Waterlelies Xuphar, Nymphaea en Victoria behooren, is de in het slijk wortelende eigenlijke stengel kort, zendt slanke, koordvormige. door bloemen afgesloten bloemstelen en langgesteelde bladeren uit, welker bladschijven op het water liggen. Een vierde groep wordt door de geslachten Hydrocharis (Kikkerkruid), Limnanthemum (Watergentiaan) en Limnocharis vertegenwoordigd, waarbij de bloem- en bladstelen niet onmiddellijk uit den in het slijk der vijvers wortelenden hoofdstengel, maar uit lange, koordvormige zijtakken ontspruiten, die eerst even onder den waterspiegel zich vertakken.

Dan volgen, als vijfde groep, de waterplanten, die men de ongelijkbladige, plantae heterophyllae, heeft genoemd. De lange, koordvormige of draadvormige, in het water zich heen en weer bewegende stengels dezer waterplanten zijn, voor zoo ver ze zijn ondergedoken, bezet met dunne, slappe, \aak in talrijke fijne slippen gespleten bladeren, maar zij ontwikkelen hooger schijfvormige, stevige, op het water liggende bladeren. Als voorbeelden van deze kunnen dienen veel Fonteinkruiden, zooals Potamogeton heterophyllus of gramineus (het Grasachtige Fonteinkruid), Potamogeton rufescens (het Rosbladige Fonteinkruid) en Potamogeton spathulatus; dan eenige Waterranonkels als Batrachium heterophyllum, de Ongelij kbladige Waterranonkel (ook nog wel Kanunculus aquatilis genoemd): Batrachium Baudotii, de Z out-Water ranonkel en Batrachium hololeucux, de Witbloemige Waterranonkel; dan Cabomba aquatica (een van de Xymphaeaceae), Trapa Wat er noot, en vele soorten van het geslacht Lymnophda.

De soorten, die behooren tot de zesde en grootste groep, waartoe de vorige den overgang vormen, zijn wel, evenals die der vroegere groepen, \ astgeworteld in het slijk, maar zij dragen aan hun overeindstaande stengels alleen dunne en slappe bladeren. Men noemt deze planten in de beschrijvende botanie ondergedoken planten, plantae submersae. De bladeren, die van de draadvormige, onder water zich vertakkende stengels dezer gewassen uitgaan, vertoonen een eindelooze verscheidenheid van vormen; ze zijn nu eens kruiswijs

Sluiten