Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontspringen niet altijd uit den oksel van een blad, maar zijn dikwijls verschoven, dat is naast of onder het steunblad geplaatst, ja soms wel aan de steunbladeren tegenovergesteld. Bij de wijnstok- en komkommerachtige gewassen valt deze verschuiving zeer in het oog, en in vroeger tijd heeft men daarom deze ranken ook niet voor stengelranken willen laten doorgaan, maar ze als bladranken verklaard.

Ten slotte moet hier ook nog de wortelrank worden vermeld, cirrhus radicalis, die voortkomt uit werkelijke aan den stengel ontstaande wortels, maar zich, wat haar werkzaamheid betreft, precies gedraagt als een rank en vooral wordt aangetroffen bij klimmende Wolfsklauwen met teêre stengels, zooals b.v. Selaginella Willdenowii.

Het hier besproken, voor de vormenleer in het algemeen en ook voor de beschrijvende botanie beteekenisvolle onderscheid der verschillende vormen van ranken heeft voor de vragen, die in dit werk worden behandeld, slechts ondergeschikte waarde. Het werpt geen licht op de beteekenis, welke de verschillende vormen hebben met het oog op de standplaatsen der klimplanten en biedt niet de geringste hulp bij de voorstelling, hoe de stengel door de van hem uitgaande ranken aan het steunsel wordt verbonden. Juist in dit opzicht zijn echter de rankende stengels zeer merkwaardig en vertoonen verschillen, die uitvoerig verdienen te worden geschetst. Wij verdeelen ze daarom in drie groepen, namelijk in planten met ringvormige, slingerende en lichtschuwe ranken.

De stengels met ringvormige ranken zijn bijzonder geschikt, om op te klimmen tusschen veelvertakte recht overeindstaande overblijvende kruiden, in dichte hagen, jonge boschjes en laag struikgewas. Een gedeelte ervan, bij voorbeeld die van verschillende soorten van Aardrook, Fumaria, en Oostindische Kers, Tropaeolum, zijn éénjarig en komen niet ver boven laag struikgewas en lage planten uit; andere als bij voorbeeld de Boschdruif en de Alpenwingerd (Clematis en At ra gene) zijn overblijvend, hun stengels worden houtig, bereiken vaak een hoogen leeftijd en de jongste vertakkingen kunnen tot in de kruinen der boomen opklimmen. Als men deze stengels in een niet dicht, hooggelegen bosch tusschen de van takken beroofde boomstammen als touwen van den grond tot in de kronen ziet uitgespannen, kan men ervan verzekerd zijn, dat ze reeds in den tijd, toen de nu forsche boomen nog lage boompjes waren, er zich aan hebben vastgehecht en dat ze, met de boomen gelijken tred houdend, die hoogte hebben bereikt.

De jonge takken der laatstgenoemde van ranken voorziene planten, met hun nog kleine opgerichte blaadjes, zijn in staat zelfs door zeer kleine openingen tusschen de takken der dichtste struiken heen te sluipen en ze herinneren in dit opzicht levendig aan de groeiwijze van de vlechtende stengels, die op blz. 389 werden besproken. Ook in zoo ver komen ze met die laatste overeen, dat ze door het uitspreiden en terugslaan van hun bladeren en bladstelen echte haken vormen, waardoor ze zich ophangen aan de dwars loopende takken deistruiken, welke hun tot steun dienen. Dat is met name met Clematis, de Boschdruif en met de op blz. 414 afgebeelde Alpen wingerd, At ra gene,

Sluiten