Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig voor. De langste ranken hebben de Passiebloemen en de Cucurbitaceeën of Kom kommerachtige n. Die van de gewone Kalebas, Cucurbita l'epo, zijn vaak meer dan 30 centimeter lang. De spiraalvormige oprolling van het niet om het stennsel heen geslingerde deel der rank begint bij de verschillende soorten op verschillenden tijd, nu eens een halven dag, dan één of twee dagen, nadat de punt der rank de eerste lus om het steunsel heeft gelegd, maar gaat, wanneer zo eenmaal is begonnen, vrij vlug in haar werk. De oprolling heeft nu eens naar rechts, dan naar links plaats en dat wel vaak bij één en hetzelfde deel van een rank. Bij de ranken der kalebassen kan men de richting der draaiing drie- of viermaal met sprongetjes zien afwisselen. Het aantal windingen is zeer ongelijk; de lange pompoenranken maken gewoonlijk 30 tot 40 schroefwindingen of spiraalslagen.

De rankende stengel is door deze ranken als door schroefvormige, elastische veêren op de allervoordeeligste manier aan zijn steunsel bevestigd. Hij wordt namelijk wel eraan vastgehouden, maar niet er tegen aangedrukt, en zoo is alle wrijving onmogelijk. Bij hevigen wind wordt de rankende stengel wel weggedrongen van zijn steunsel. maar houdt de wind op, dan wordt hij door de veêrende rank weer in de vroegere positie teruggebracht.

De spiraalvormige oprolling heeft ook plaats bij die ranken, die er niet in geslaagd zijn, een steunsel te vinden, maar merkwaardigerwijze ontwikkelen daarna zulke ranken zich niet verder, zij verschrompelen, vallen slap neer, verdorren en vallen soms als verwelkende bladeren in den herfst van den stengel af, terwijl die ranken, die een steun hebben gegrepen, veel dikker en krachtiger worden en ook in hun inwendigen bouw een reeks van veranderingen ondergaan, die hen, voor wat zij te verrichten hebben, bijzonder goed geschikt maken.

De stengels met lichtschuwe ranken herinneren aan de lichtschuwe, vlechtende en tralievormende stengels. Evenals deze behooren ze bij planten, die moeten opklimmen tegen steile wanden van rotsen en tegen de schors van dikke boomen. Op zulke plaatsen zou do stengel naar den eonen kant te vergeefs ranken uitstrekken; want daar is enkel lucht, die geen steun biedt, om zich aan vast te grijpen. Ook zou hier door een beweging in een boog moeilijk een steun kunnen worden getroffen.

Het beste, wat de rankende stengel in die omstandigheden kan doen, is dat hij den vasten wand, waarlangs hij zich zal moeten optrekken, zoo spoedig mogelijk tracht te bereiken, liet daarna door de ranken gezochte doel is, de van het licht afgekeerde zijde te bereiken, en inderdaad wenden zich de ranken van de hier bedoelde gewassen met groote volharding daarheen. Al naar de ligging van de plaats, waar de rank aan den stengel ontstaat, buigt zij zich in minder dan 24 uren wel in een hoek van 90° tot 180° en groeit zonder omwegen, en zonder door in een kring rond te slingeren arbeidskracht te verspillen, naar den achterwand, terwijl do uit denzelfden stengel voortkomende bladeren, die zich in licht en lucht moeten kunnen baden, in de tegenovergestelde richting groeien en vóór den wand don geschiktsten stand zoeken in te nemen.

Op den door haar ingeslagen weg komt de rank dan in korten tijd met

Sluiten