Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe donkerder de plaats, des te krachtiger ontwikkeld zijn de hechtwortels. Als men die, welke zich bij de op blz. 135 afgebeelde Tecoma radicans op de donkerste plaatsen onder een vooruitspringend gedeelte van het gesteente hebben ontwikkeld, vergelijkt met andere, die verder beneden op minder diep beschaduwde plaatsen ontstonden, dan blijkt, dat de eerste steeds veel weelderiger en langer zijn dan de laatste. Wordt door 't een of ander toeval een loot, die al begonnen was, hechtwortels te ontwikkelen, uit haar stand gebracht en haar vroegere beschaduwde kant blootgesteld aan het licht, dan draait zij zich zoo lang, tot de met de eerste beginselen van luchtwortels bezette kant weer van het licht is afgewend. Mochten er beletselen optreden ook tegen deze draaiing, dan blijven de jonge hechtwortels in hun ontwikkeling ten achteren, groeien niet verder, maar verwelken en verdrogen.

Zoodra daarentegen de aan den schaduwkant van den stengel ontstane hechtwortels met een daarachter zich bevindende onderlaag in aanraking komen, wordt daardoor hun groei in 't oog vallend bevorderd, en binnen korten tijd is een vaste verbinding met de aangeraakte onderlaag tot stand gekomen. Niet alleen dat de worteltjes in alle reten en spleten binnengroeien en zich mede gewillig voegen naar alle grootere oneffenheden, ook iedere afzonderlijke opperhuidcel van de groeiende worteltjes gedraagt zich eveneens, drukt zich tegen de kleinste verhevenheden en inzinkingen aan en spreidt zich over de volkomen gladde, effen plaatsen uit als een plastische massa. Steken de opperhuidcellen buisvormig naar buiten en zijn ze tot zoogenaamde wortelharen uitgegegroeid, dan dringen ze in de kleinste spleetjes van de onderlaag binnen en gelijken soms op een hand, waarvan zoowel de palm als de uitgespreide vingers tegen den muur worden gedrukt. Juist als de reeds op blz. 98 van Deel 1 besproken wortelharen vergroeien ook deze opperhuidcellen der hechtwortels met het steunsel, dat ze hebben gevonden, en de vergroeiing is zoo innig en volkomen, dat bij aanwending van een krachtige trekking veel eerder de worteltjes zullen breken en aan hun voet afscheuren, dan dat eene afscheiding op de plek der vergroeiing zou plaats hebben.

Naar den vorm kan men de volgende soorten van hechtwortels onderscheiden. Allereerst dicht opeengedrongen, enkelvoudige of zeer kort vertakte draadvormige wortels, die in groepen opeengehoopt zijn, maar toch ieder afzonderlijk uit den stengel te voorschijn komen. Met toenemenden ouderdom en bij toenemende dikte van den houtig wordenden stengel vermeerderen ze door de vorming van nieuwe. Soms zijn ze bij paren aaneengegroeid en omzoomen den tegen de onderlaag gedrukten stengel met onregelmatige, maar dichte rijen. Bij oudere stengels zijn de hechtwortels grootendeels verdroogd en die, welke met de onderlaag niet konden vergroeien, staan dan naar verschillende kanten af en vormen dikwijls ruwe baarden, die den stengel een allerwonderlijkst aanzien geven. Als voorbeeld voor deze groep kan dienen de Klimop, Hedera Helix, die op de plaat, tegenover de volgende bladzij, tegen een eik opgroeiend is voorgesteld.

Geheel anders doet zich de tweede vorm voor, waarvan als voorbeeld hier de vaak tot bekleeding van muren in tuinen gekweekte en uit de Zuidelijke

Sluiten