Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rechtopstaande stengels. Er zijn immers ook plat neerliggende halmen, zoo goed als er znlke stengels en zelfs zulke houtige stammen bestaan, en dus is het eigenlijk niet volkomen gerechtvaardigd, die benamingen enkel voor de rechtopstaande vormen te bezigen. Daarom heeft men ook wel voorgesteld, eiken rechtopstaanden stengel, die 't best met een zuil of paal is te vergelijken, zuilvormig te noemen, in het Latijn met het toevoegsel pnla ris aan te duiden, en dus altijd te spreken van een caulis palaris en mede van zuilvormige tronken, halmen, stengels, stammen. Doch deze omslachtige benamingen zijn in dit werk niet op hun plaats en daarom zullen wij hier, ter vergemakkelijking van het overzicht, de vier bovengenoemde eenvoudige benamingen gebruiken, maar met het voorbehoud, dat ze in dit hoofdstuk enkel toepasselijk zijn op rechtopstaande stengels.

In de reeks bladerendragende rechtopstaande stengels maakt het meest van alle de slanke stam der palmen volkomen den indruk van een zuil of paal. [Men noemde deze vroeger in het bijzonder tronk, caudex of sti/ies, nu gebruikt men ook hiervoor meestal den gewonen naam voor alle stengels, wier leven onbeperkt van duur is, nl. dien van stam, truncus].

De hoogte van zulke palmentronken wordt gewoonlijk sterk overschat; vooral de alleenstaande stammen is men geneigd, veel liooger te schatten, dan ze in werkelijkheid zijn. Dit berust op een optisch bedrog, hetzelfde, wat ook veel voorkomt bij het oordeelen over de hoogte van bergen. Een alleenstaande, met steile wanden oprijzende bergtop wordt, op het eerste gezicht, altijd voor hooger gehouden dan een lang uitgerekte bergrug, die langzaam met een flauwe helling stijgt, al zijn beide in werkelijkheid ook juist even hoog, en zoo gaat het ons eveneens bij 't schatten der hoogte van stammen. De afzonderlijk uit laag struikgewas zich verheffende Palmyrapalm schijnt bij een vluchtige beschouwing veel hooger dan een andere, met betrekking tot den stam feitelijk even hoog oprijzende boomsoort, die in een gesloten bosch zich verheffend, met de kruin slechts weinig boven haar buren uitsteekt. Den hoogsten, zuilvormigen stam heeft Ceroxylon andicola, een in de Andesketen inheemsche palm, waarbij men stammen heeft aangetroffen van 57 M. De tronk van den Kokospalm, Cocos nucifera, bereikt de statige hoogte van 32 M, die van den Palmyrapalm, Borassus fiabeUiformis, wordt 30 M hoog. De meeste andere palmen blijven echter beneden deze hoogte, en voor een groot aantal is 20 meter het uiterste, dat ze halen. De zoogenaamde Dwergpalm, Chamaerops hu mi lis, wordt slechts 4 meter hoog, en er zijn ook palmen, welker stam zich maar even boven den grond verheft.

Ook de stammen van Boomvarens en Cyradeeën blijven betrekkelijk laag. Als reizigers vertellen van de reusachtige tronken der boomvarens, dan kan dat alleen gelden in vergelijking met de stengels van de in onze Europeesche bosschen voorkomende varens, welke laatste zich met hun tronken of in 't geheel niet, of, zooals die van Struthiopteris Germanica, slechts 10 cM. boven den grond verheffen. De Nieuw-Zeelandsche boomvaren Bnlantium antarcticum bereikt bij een middellijn van 40 cM. een hoogte van 3 M. en de tronk van Alsophila

Sluiten