is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

excelsa, wordt, hij een dikte van 60 cM., 22 M hoog. De Cycadeeën bereiken bijna nooit die hoogte, evenmin als de verschillende andere phanerogamen. die zulk een zuilvormigen stam hebben, welken men tronk kan noemen, als bij voorbeeld de soorten der geslachten Yucca, Dracaena, Urania, Pandanus, Aloë en Xanthorrhoea. De beroemde Drakenbloedboom, Dracaena Draco van Orotawa, welks leeftijd op 6000 jaar wordt geschat, heeft, bij een omvang van 14 M., een hoogte van 22 M.

Den betrekkelijk kortsten tronk heeft de tot de Gnetaceeën behoorende, in de woestijnen van Zuidwestelijk Afrika inheemsche Wehcitschia inirabilis. De boven den grond zich verheffende stam van deze wonderlijke plant bereikt in volwassen toestand bij een omvang van \ tot 4 meter slechts een hoogte van 10 tot 20 cM. en heeft een schijfvormige gedaante. De ervan uitgaande lederachtige bladeren, die veel jaren achtereen als assimilatieorganen werkzaam zijn, worden ongeveer 3 M. lang, zijn gegolfd en liggen als lange, breede banden over den grond uitgespreid, zooals te zien is op de afbeelding tegenover blz. 440, gemaakt naar een teekening van den ontdekker Welwitsch, die de plant in de woestijn Kalahari vond.

In de meeste gevallen zijn de hier bedoelde tronken onvertakt. Alleen enkele Pandaneeën en Drakenbloedboomen en de zoogenaamde „Domp al men" uit de aequatoriale streken van Afrika, de Hyphaene Thebaica, coriacea enz., vertakken zich en ontwikkelen eenige korte zijtakken, als de hoofdtronk ouder is geworden, (zie blz. 368.) De stammen der Boomvarens Alsophyla en Todca zijn geheel bedekt met korte luchtwortels, waardoor hunne oppervlakte een eigenaardig ruw aanzien krijgt. Vele stammen van palmen zijn ook meer of minder rijk met stekende doornen bezet. \ oor het uitzien der meeste is het van beteekenis, of de afgestorven bladeren boven den voet afbreken, zoodat de bladscheeden achterblijven, of dat de bladscheeden loslaten en een litteeken achterlaten op den tronk. In het eerste geval is de stam bekleed met strooken en schubben, vezels en droge vliezen of wel met korte, stijve stompen van allerlei vorm; in het laatste is hij bezet met ringvormige of schildvormige litteekenen. De stammen van Caryota, waarvan er een is afgebeeld op blz. 377 kan Deel I, worden na het afvallen der bladeren geheel glad, zien eruit als een reusachtige halm en vormen ook den overgang tot dien vorm van stengels, die onder den naam halmen worden saamgevat.

De halm, culmus, dien men bij de geheele familie der Grassen, Gramineae, aantreft, kan wat zijn grootte betreft, bijna nog meer uiteenloopen dan de tronk. Men onderscheidt den halm in engeren zin, die de vormen omvat, welker middellijn niet meer bedraagt dan 'A centimeter, dan het riet, dat niet vertakt is, welks stengelleden steeds door lange scheeden worden omsloten en welks middellijn variëert tusschen een halven cM. en 5 cM., en ten derden het bamboes, dat zich in veel takken verdeelt en korte bladscheeden heeft. In dezen derden vorm vertoont de halm zijn meest grootsche ontwikkeling. Vele bamboezen, als bij voorbeeld die van Java, op de plaat tegenover blz. 446 afgebeeld, bereiken bij een dikte van ongeveer '/s M. een