Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koker van bastvezels. De verschillende wijzen, waarop die verbinding tot stand komt, als ook het voorhanden zijn of het ontbreken van versterkingen bij dezen stevigen bastkoker, maakt, dat zich in deze groep groote verschillen in bouw voordoen. Eenige der interessantste vormen worden door onderstaande afbeeldingen aanschouwelijk gemaakt.

Fig. 2 vertoont op de dwarse doorsnede van den stengel van Viantlius eary'ij/fii/llus, de Tuinanjelier, hoe de vochtleidende bundels tegen de binnenzijde van den bastkoker of bastring aanliggen. In Fig. 1, de dwarse doorsnede van

Doorsneden van rechtopstaande stengels niet. enkelvoudige, tot een cylindervormigen koker vergroeide dragers. 1. Wijngaardlook, Allium vineale. 2. Tuinanjelier, Dianthus caryophyllus. 3. Kransbladige Lelie van Dalen, Convallaria rerttcillata. 4. Bentgras, Melinia coerulea. 5. Lieve-vrouwe-bedstroo, Asperula odorata. 6. De Sumbulplant, Eitryanyium Sumbnl^ een schennbloemig gewas uit het Oosten. Zie blz. 472. — Ook in deze schetsen is het steunweefsel overal grijs geteekend en de bundels der vochtvoerende vaten en cellen zwart niet

witte stippen.

den stengel van Allium vineale, W ij 11 gaard look, liggen die bundels aan de buitenzijde van den bastring en in Fig. :5, de dwarse doorsnede van den stengel van de Kransbladige Lelie van Dalen, Convallaria verticillata, zijn ze geheel in den bastring opgenomen. Het eerste geval is verreweg het veelvuldigst en kan als karakteristiek voor de meeste al of niet overblijvende kruiden uit de afdeeling der Dicotyledonen worden beschouwd; liet tweede geval treft men aan bij veel bolgewassen en het derde, het zeldzaamste, bepaalt zich tot enkele Monocotyledonen. De versterkingen doen zich voor öf als lijsten en verhevenheden op den bastkoker, zooals bij voorbeeld bij liet gras Molinia coerulea, het Bentgras, afgebeeld in dwarse doorsnede in Fig. 4 hierboven,

Sluiten