is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dfel 1 afgebeelde samengesteldbloemige plant Sïlphium perfoliaturn, met talrijke, met de vier zijden evenwijdig loopende secundaire dragers, en Fig. 3 is de dwarse doorsnede van de Zwartstengelige bamboes, Bambusa nigra, waarbij de secundaire dragers in verschillende concentrische kringen zijn gegroepeerd.

Evenals in de eerste en tweede groep komen ook hier weer versterkingen voor en wel het meest in den vorm van kokers van bastvezel- of collenchymbundels aan den omtrek van den stengel. Bij het gewone Riet, Phragmites communis, Fig. •"> op blz. 472, blijft deze koker zonder eenige afbreking en zonder tusschenvoegingen; bij het Suikerriet. Sticchttrum officinarum, Fig. (i op diezelfde bladzijde, bevinden zich in den bastkoker luchtkanalen en ook sapvoerende vaten, die er tusschen in zijn gevoegd. Veel zeldzamer is het geval, dat de versterking tot stand komt door bastbundels, die, niet tot een buis vereenigd, dicht onder de opperhuid van stam of stengel liggen, zooals bij voorbeeld bij Juncus glnucus, de Zeegroene Bloembies, welker dwarse doorsnede in Fig. 4 op blz. 472 is afgebeeld. Deze bloembies onderscheidt zich ook nog, doordat tusschen de secundaire dragers, die den buitensten kring vormen, groote luclitholten liggen.

Eenige van de hier genoemde, rechtopstaande, aldus tegen buiging verzekerde stengels of stammen zijn van binnen hol; andere zijn met een los merg gevuld. In de schematische figuren is die centrale holte door een cirkel omlijnd.

Het is reeds van te voren te verwachten, dat die stengels, welke het vermogen missen zich zonder steun van den grond op te heffen, dus de talrijke vormen, welke onder den naam klimplanten worden samengevat, een anderen bouw vertoonen dan de rechtopstaande stammen. Alleen de jonge spruiten der klimplanten moeten weerstandsvermogen tegen buiging bezitten; stengels, die een steunsel hebben gevonden, kunnen deze eigenschap en dus ook de inrichtingen, welke de stevigheid bevorderen, ontberen. Daarentegen moeten deze stengels, met name als zij overblijvend zijn en houtig worden, beschut zijn tegen de nadeelen der uitrekking, die onvermijdelijk is, als er veranderingen in het steunsel plaats hebben. Rotswanden en oude muren, die klimplanten tot steun dienen, zullen wel geen veranderingen ondergaan, van genoeg belang, om daardoor invloed te hebben op de tegen hen opklimmende stengels; maar anders is liet gesteld met hoornen en heesters, die door overblijvende klimplanten als steunsels worden gebezigd. Deze boomen en heesters groeien namelijk steeds door, hun stammen nemen in omvang toe; de dikte van takken en twijgen verandert van jaar tot jaar, en er hebben verschuivingen eu veranderingen van stand plaats, die niet zonder invloed blijven op de plant, welke den groeienden boom of heester als steunsel gebruikt.

Gesteld het geval, dat een slingerplant den stam van een jong boompje of den tak van een heester heeft aangevat en zich eromheen heeft geslingerd, .laren verloopen, de stam van het boompje heeft intusschen honderdmaal de vroegere dikte gekregen en de omwonden tak van den heester is wel een meter verplaatst; de invloed hiervan op den slingerenden, klimmenden stengel kan nu niet uitblijven. Die invloed zal zich doen gelden als rekking, trekking en