Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afstaan van rechtopstaande bloemspillen, met name bij de zygomorphe of zijdelings symmetrische bloemen, is de ringvormige wal vaak afgebroken of in plaats van een cirkelvormige schijf is er aan de eene zijde een verhevenheid of kam. Menigmaal is de ring vervangen door een krans van zulke verhevenheden of wratten, of de schijfvormige bloembodem is aan ééne zijde sterker ontwikkeld, is daar breeder en krijgt den vorm van een tong of schub.

Door dat weefsel van den schijfvormigen bloembodem, dat niet overgaat in bloemdeelen, maar tusschen de kransen der bloem bekleedsel en, meeldraden en vruchtbladen in den vorm van knobbeltjes, wratten, lijsten en ringen is ingevoegd, wordt veelal honig afgescheiden, die als aanlokkingsmiddel dient voor de insecten, welke als bloemenbezoekers welkom zijn, daar ze de bestuiving bewerken. Het als onderlaag of als omhulling der vruchtbladen dienende deel van den bloembodem maakt later daarentegen zeer dikwijls deel van de vrucht uit. Meestal is echter de beteekenis, die de verschillende vormen van den bloembodem voor het leven en welzijn der plant hebben, nog niet voldoend in het licht gesteld. Dat die vormen echter in nauwer verband staan tot de vorming der vrucht dan tot iets anders, is het eenige, wat met zekerheid kan worden aangenomen, maar liet is nog een volkomen raadsel, waarom in het eene geval deze. in het andere gene vorm van bloembodem tot ontwikkeling is gekomen.

Herhaaldelijk is de meening verkondigd, dat niet met alle bijzonderheden in den bouw der plant ook voordeelen behoeven samen te hangen, en dat de vormen, waaronder de afzonderlijke organen en deelen der plant optreden, in twee groepen zijn te verdeelen, namelijk in die, welke voor het levèn der soort blijkbaar van nut zijn, en in die, waarbij dat niet het geval is. De eerste zouden dan veranderlijk, de laatste onveranderlijk zijn. Deze hypothese werd zelfs tot een dogma verheven, en men kwam dan daarbij tot het besluit, dat alleen die vormen, die niet in hun beteekenis voor liet leven der plant te verklaren waren, gebruikt konden worden bij de bepaling en liet systematisch vaststellen van soorten en groepen. Deze opvatting is echter in lijnrechten strijd met die, welke in dit werk wordt voorgestaan.

Ook die organen toch, die men zoo dikwijls als „mislukt" aanmerkt, zijn voor het leven der plant niet zonder beteekenis, maar worden juist in hun slechts schijnbaar mislukten vorm tot welzijn van het geheel gebruikt en zouden niet zonder schade kunnen worden gemist. Indien ze niet noodig waren, zouden ze ontbreken. De plant bouwt niets op, dat overbodig is of doelloos, en geen haar, ja geen enkele cel wordt 0111 niet geproduceerd. Het is gevaarlijk en verkeerd, te zeggen, dat dit of dat deel waardeloos of nutteloos is of alleen is overgebleven als rest van een orgaan, dat bij de stamsoort langen tijd geleden krachtiger was ontwikkeld en toen ook onmisbaar was. Als wij het nut of voordeel van het een of ander deel niet dadelijk inzien, hebben wij daarom het recht niet, te zeggen, dat dit deel, zooals het zich hier voordoet, voor de plant zonder waarde of onverschillig is. Nergens mag misschien de spreuk dies diem doret met meer recht worden toegepast dan juist bij vragen, betreffende de beteekenis der gedaante van de planten. Hoeveel deelen, die voor een

Sluiten