Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

decennium nog raadselachtig waren, zijn thans als onontbeerlijke leden van een keten van inrichtingen nauwkeurig bekend en opgehelderd tot in de kleinste bijzonderheden, zoodat de erkenning van hun waarde als een onomstootelijke leerstelling door de wetenschap is vastgesteld. De strooming van onzen tijd leidt ertoe, de gedaante der verschillende plantendeelen niet als stomme raadselen der natuur te beschouwen en te beschrijven, maar ze in hun waarde te leeren begrijpen als deelen van een levend wezen. En zoo zal het na korter of langer tijd ook gelukken, de verschillende vormen van den bloembodem in hun beteekenis voor de afzonderlijke familiën. geslachten en soorten uiteen te zetten en te verklaren.

Eene eigenaardigheid, die den bloembodem van alle andere stengelvormingen onderscheidt, en waarvan wij hier nog ten slotte melding moeten maken, is zijn begrensde groei. Zoolang de bloembodem aan zijn omtrek bloemdeelen vormt, groeit hij nog altijd een weinig in de lengte, al beteekent die lengtegroei ook niet veel. Maar na het ontstaan ^an het bovenste der bloemdeelen houdt de verdeeling der cellen aan den top op, en de verlenging der as heeft daar niet alleen tijdelijk, maar voor goed haar einde bereikt. Dit feit is in zoover van belang, omdat daardoor een der weinige verschillen, die men tusschen stengel en blad meende te kunnen vaststellen, niet algemeen geldig blijkt. Maar ook met het oog op den bouw der geheele plant heeft de begrensde groei van den bloembodem een bijzondere beteekenis.

Het stengelgedeelte, dat den bloembodem vormt, scheidt zich namelijk, en wel gewoonlijk mét den bloemsteel en niet zelden zelfs met de geheele spil der bloeiwijze, van het daar beneden liggende gedeelte van den stengel af. zoodra de van den bloembodem uitgaande bladvormingen hun functie hebben vervuld, of met andere woorden, de bloem- en vruchtstelen laten los, zoodra de bloembekleedselen verwelkt, de helmknoppen der meeldraden geledigd en de vruchten gerijpt zijn, welk proces herinnert aan het afvallen van de boombladeren, die niet meer in staat zijn, de hun opgelegde taak te vervullen. Evenals na het afvallen der bladeren op de aanhechtingsplaatsen der losgeraakte bladeren een litteeken ontstaat of een verdroogd restje achterblijft, ontstaat ook op de plaats, waar een deel van den stengel zich heeft afgescheiden, een eigenaardig, de plek afsluitend weefsel, en op die plaats groeit de stengel nooit verder. Onverschillig of het stengeldeel afgesloten wordt door een enkele bloem of door een inflorescentie, nooit kan ze na het afvallen der vruchten zich in een rechte lijn verlengen; de groei van den top is voor eens en voor altijd afgesloten.

Daarentegen kunnen uit de oksels van lager staande bladeren zijassen ontspringen en boven het litteeken uitgroeien, wat natuurlijk van invloed is op de wijze van vertakking en op den architectonischen bouw van den geheelen stengel. Deze invloed doet zich vooral in 't oogvallend gelden bij houtige planten, zoowel hooge heesters als boomen. Doordat namelijk de door het litteeken afgesloten top van een tak door twee beneden die plek ontspringende zijtakken in hoogte overtroffen wordt, ontstaat een meer of minder

Sluiten