Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regelmatige tweetandige vork, en als zich aan de tanden dier vork het besproken proces herhaalt, ontstaat een zeer sierlijke vorm van vertakking, die zelfs nog aan oudere takken te herkennen is en den heester of den boom op zeer eigenaardige wijze kenschetst. Terwijl de jaarlijksche toeneming in hoogte bij de op die wijze vertakte houtige gewassen gering is, wordt hun kroon opvallend breed, en de oudere, bladerlooze takken hebben gewoonlijk het aanzien van een gewei of van een dooreengeslingerd, naar boven breeder wordend traliewerk, zooals dat bijzonder duidelijk te zien is bij de Azijn Pruikenboom, Ji'/ius fi/jihinn, en bij vele Wilde Kastanjes, zooals bij de Gele Kastanje, Aesculus flaou en bij Aesculus discolor. Bij de Oleander, Nerium Oleander, en vaak ook bij de Vogellijm, Viscum album (afgebeeld op blz. 250, van Deel I), wordt de afgesloten top van de hoofdas voorbijgestreefd door drie in een krans geplaatste zijassen, waardoor weer een eigenaardige wijziging ontstaat in dezen vorm der vertakking.

De inwendige bouw van het stengeldeel, dat wij besproken hebben, met name de rangschikking van het steunende weefsel, beantwoordt altijd aan de eischen, waaraan een stengel, die bloemen en vruchten draagt, noodzakelijk moet voldoen. Moeten de bloemen en de daaruit zich ontwikkelende vruchten recht overeind worden gehouden, dan zijn de stelen en ook de bloemspillen zoo gebouwd, dat ze tegen buiging bestand zijn. De stelen en spillen van hangende bloemen en vooral van hangende, zware vruchten zijn daarentegen zoo ingericht, dat ze tegen rekken bestand zijn en voorzien van het daarvoor dienstige, stevige en doelmatig gerangschikte weefsel. Dezelfde cylinder van bastvezels, die tegen den tijd van het openen der bloemen de stevigheid van den rechtopstaande bloemsteel moest bewerken, moet later zorgen uitrekking te kunnen verduren, als uit de rechtopstaande bloem een hangende vrucht is ontstaan. Ook het omgekeerde komt voor, en niet zelden worden uit hangende, rekbare bloemstelen, zeer stevige aan buiging weerstand biedende vruchtstelen, die bij het uitstrooien der zaden een rol spelen. Overigens neemt bij al deze veranderingen van stand ook de turgor van het aan den omtrek der bloemstelen ontwikkelde parenchym een werkzaam aandeel.

Sluiten