Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien inrichtingen tot afweer van vraatzuchtige dieren bezit, is de bouw van zulke wortels veel ingewikkelder dan in die gevallen, waar het alleen op de beveiliging tegen zijdelingsche drukking aankomt. Zoo is dan ook in aansluiting bij de uiteenloopende eischen, door den aard van de standplaats en door de eigenaardige levenswijze der plantensoorten gesteld, het parenchymweefsel aan den omtrek der wortels zeer verschillend van bouw. Bij de waterwortels komt ook nog de behoefte aan rijkelijke doorstrooming met lucht in aanmerking, evenals aan den anderen kant bij deze wortelvormen de opeenhooping van reservestoffen moet worden vermeden, omdat door vermeerdering van het gewicht der met reservevoedsel gevulde weefsels het zinken der drijvende waterplant naar de diepte op ongeschikten tijd zou kunnen worden veroorzaakt.

In het parenchymweefsel, dat ontstaat bij de groeiende punt van den wortel en dat onder den naam van wortel mutsje bekend is, zou de opeenhooping van reservevoedsel evenmin op haar plaats zijn. Bij de wortels in den grond dient het wortelmutsje alleen voor de bescherming van de teére, zich verdeelende en vermeerderende cellen aan het groeiende einde. De drukking, waaraan deze steeds zich verdeelende cellen bij hun vooruitschuiven in de aarde zijn blootgesteld, is veel grooter dan die, welke op de volgroeide deelen achter de punt van den wortel wordt uitgeoefend. Het groeiende einde van den wortel moet vaste zandkorreltjes en andere aarddeeltjes op zij schuiven, en als een grondboor de ruimte open maken, waarin later de uitgegroeide wortel plaats moet vinden. Het wortelmutsje kan met een schild worden vergeleken, dat de groeiende en daarbij vooruitschuivende cellen juist daar, waar het noodig is, hebben doen ontstaan, en dat zij aanhoudend voor zich uit drijven.

Dat schild wordt door het groeiende weefsel aanhoudend voltooid en vernieuwd. De aan het groeiende weefsel aansluitende helft van het wortelmutsje bestaat uit lioekige. dicht aaneengesloten cellen, en de uitwendige, naar de aarde toe gekeerde helft uit afgeronde, niet zoo dicht aaneensluitende cellen. Ook ziet men aan dien buitenkant van het wortelmutsje de cellen voor een deel losgeraakt en afgerukt. In dezelfde mate, waarin de uitwendige cellenlagen bij het vooruitdringen van den wortel en de daarbij onvermijdelijke aanraking met de omringende aarde beschadigd, vernield en afgestooten worden, komen van binnen uit steeds weer nieuwe cellen de plaats der oude innemen, en zoo heeft er een aanhoudende aanvulling plaats van wat verloren ging, een geregeld voortdurende herstelling van liet schild.

Waterwortels hebben .begrijpelijkerwijze zulk een schild aan de punt niet noodig; ook voor de luchtwortels is het, ten minste in den hier beschreven vorm, overbodig. Zelfs de in het slijk binnendringende wortels hebben er geen behoefte aan. Verschillende moerasplanten, waaronder ook de moerasbewonende Mangroven, ontwikkelen dan ook aan de toppen van bun wortels geen wortelmutsje. Eveneens ontbreekt het volkomen bij wortels van woekerplanten, waarbij het bij 't binnendringen in het weefsel der voedsterplanten maar hinderlijk zou zijn.

Sluiten