Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet geschikt zijn, gedijen de Primula's slecht; hun stengels steken dan uit boven de randen der spleten, de geheele plant wordt ziek, gaat kwijnen, komt niet meer tot bloeien en gaat na eenigen tijd te gronde.

Voor de cultuur van de genoemde Primula's, alsook van vele andere in de vrije natuur in rotsspleten groeiende planten, is het inzicht in deze manier van groeien in zoo ver van belang, dat men eruit leert, voorzichtig de planten zóó te plaatsen, dat de stengels jaarlijks een bepaald eind door de wortels den grond in kunnen worden getrokken.

Op zeer bijzondere wijze worden de uiteinden der stengels van vele Bramen onder den grond gehaald. Een dezer, Kubus bifrons, | in Zuid-Duitschland, Oostenrijk en Zwitserland algemeen, na verwant aan onze Kubus ulmifoVnis en met deze vroeger onder den naam li. discolor begrepen] is hierachter afgebeeld, met de in den grond getrokken deelen van den stengel, liubus bifrons ontwikkelt jaarlijks krachtige, vijfkantige, met achterwaarts gerichte stekels bezette loten, die eerst recht omhoog groeien, maar tegen den herfst wijde bogen vormen, zoodat de toppen dichtbij den grond komen. Nog vóór deze de aarde hebben bereikt, ontstaan er aan de kanten van den stengel, dichtbij den voet van kleine, schubvormige, mislukt lijkende bladeren, knobbeltjes, die de eerste aanleg van wortels zijn. Heeft de punt van den stengel den grond bereikt, dan verlengen zich de met dezen in aanraking gekomen knobbeltjes tot echte wortels, die in den grond dringen. Zij verlengen zich zeer snel, er ontstaan ook veel zij wortels aan, en in korten tijd is een omvangrijk ondergrondsch wortelstelsel gereed gekomen. Maar ook de top van den stengel, die tot uitgangspunt voor dit wortelwerk dient en die nu opvallend verdikt is, geraakt onder den grond. Hij wordt door de wortels naar beneden getrokken en blijft daar door de aarde omgeven. In de volgende lente, soms reeds in denzelfden herfst, waarin het wortelen plaats had, groeit die top van den stengel, gevoed door haar wortels, tot een bebladerde spruit uit, die weer boven den grond zich vertoont. I)e oude stengel echter, die zich boogvormig naar den grond had gebogen, en welks top door de wortels in den grond werd getrokken, sterft vroeger of later af, en zoo is uit het einde van den stengel een nieuwe zelfstandige plant ontstaan.

Dat liet binnentrekken van den stengel in den grond door de wortels geschiedt, is in alle gevallen aangetoond. De wortels worden, nadat de lengtegroei is afgeloopen, korter, in sommige gevallen verkorten ze zich slechts 2 a 3, in andere gevallen wel 20 a 30 procent, dat is bijna zooveel als een derde hunner lengte bedraagt. Deze verkorting berust op veranderingen in de gedaante en in den turgor der cellen. Terwijl de cellen van het nog groeiende deel van den wortel langer worden, nemen die van den volwassen wortel een breederen en korteren vorm aan ten gevolge van de toeneming van den turgor, en het natuurlijk gevolg is een verkorting van het geheele weefsellichaam.

Deze verkorting van het volwassen wortelgedeelte veroorzaakt naar boven «3ii naar beneden een trekking. Aan 't benedeneinde van het worteldeel bevindt

Sluiten