Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ledige plant, (zie blz. 274 en 275 van Deel II), meende men van samengestelde individuen te moeten spreken. Elke afzonderlijke spruit werd als individu beschouwd, omdat zij bet vermogen bezit, van -de plant gescheiden, verder te leven, en dus zou iedere plant uit zóó- en zooveel afzonderlijke individuen zijn opgebouwd. Daar echter ook ieder lid der spruit of loot het vermogen bezit, afgescheiden van de andere leden verder te leven en een nieuwe, zelfstandige plant voort te brengen, werden later de leden der spruiten als individuen opgevat en voor hen werd de naam anaphyten in gebruik genomen. In hoever deze opvatting voor de generatiewisseling van beteekenis is, zullen wij later uiteenzetten. Hier kunnen wij niet verder op deze zaak ingaan.

Er moet ook nog worden gewezen op een andere opvatting van het plantenindividu. Nadat men had ingezien, dat het niet aanging, het plantenindividu als iets ondeelbaars te definiëeren, kwam men tot het zonderlinge hulpmiddel, deelbare individuen aan te nemen, en verbond hiermede de voorstelling, dat alle ongeslachtelijk ontstane en zelfstandig geworden deelen tot een enkel individu behooren. De dertig of veertig binnen eenige jaren uit een aardappelknol ontstane jonge aardappelknollen, de talrijke door stekken van oen oude anjelier te maken jonge anjelierplanten werden alle, als te zamen behoorend, als een enkel individu opgevat, want alleen een op geslachtelijke wijze voortgebracht levend wezen zou als individu gelden, en de daarvan losrakende stekken, knollen en dergelijke zouden bij deze opvatting eenvoudig deelen zijn van dit ééne individu, al waren ze ook, ver van elkander gescheiden, in staat verder een zelfstandig bestaan te leiden.

Deze door de philosophen uitgevonden definitie van het plantenindividu is door de natuuronderzoekers nooit ernstig opgenomen, en zij wordt hier enkel vermeld, omdat er een andere belangrijke vraag door wordt aangeroerd, die in dit deel van „Het leven der planten" uitvoerig zal worden besproken, namelijk de quaestie van de voortplanting of de generatie der planten. De in den laatsten tijd met bewonderenswaardige toewijding door de scherpzinnigste botanici gedane onderzoekingen over de wijze van vermenigvuldiging der planten hebben tot het resultaat geleid, dat in de meeste, waarschijnlijk zelfs in alle afdeelingen van het plantenrijk twee soorten van vermenigvuldiging zijn op te merken. Altijd zijn het wel afzonderlijke protoplasten, die de uitgangspunten vormen van de nieuwe individuen, maar in het eene geval hebben zo tot hun verdere ontwikkelinggeen bijzondere opwekking noodig door verbinding met andere protoplasten, en dan spreekt men van ongeslachtelijke öf vegetatieve vermenigvuldiging, in het andere geval daarentegen moet een materiëele vereeniging van twee op verschillende plaatsen ontstane protoplasten, dus een paring, tot stand komen, als er een nieuw wezen, een nieuw individu zal ontstaan, en dan spreekt men van geslachtelijke of generatieve vermenigvuldiging.

De op de eerste of vegetatieve wijze ontstane individuen doen zich voor in allerlei vormen, van de enkele cel tot de volledige plant. Het zijn eencellige sporen of veelcellige thallidiën, en verder verschillende soorten van knoppen; al deze te zamen noemen de Duitschers „Ableger". De knoppen

Sluiten