Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

raken los van de levende stamplant, of ze worden daardoor zelfstandig, dat de plant, waarvan ze afkomstig zijn, sterft. In het laatste geval blijven ze in de buurt van de standplaats der stamplant. Bij boomen en heesters raken de knoppen niet los van de plant, waaraan ze ontstonden, groeien, daarmee verbonden, uit tot spruiten, en op die wijze ontstaan de bovengenoemde samengestelde individuen. Veel zeldzamer komt het voor, dat uitgegroeide loten losraken van de plant, waarbij ze behooren, en als „Ableger" voortgroeien.

Alle door generatieve vermenigvuldiging ontstane individuen kan men in het algemeen vruchten noemen. Ook de vruchten komen voor in allerlei vormen, nu eens als afzonderlijke cellen, dan als cellengemeenschappen, dan weer als kleine planten. Gewoonlijk scheidt zich de rijpe vrucht of althans het belangrijkste gedeelte ervan, dat het bevruchte ei of het daaruit ontstane embryo bevat, van de moederplant af; bij verscheiden groepen van liet plantenrijk echter, zooals bij de varens en de mossen, blijft de vrucht op de plaats, waar zij werd voortgebracht en groeit in samenhang met de moederplant uit tot een nieuwe generatie, die echter geen vruchten, maar sporen vormt. Als bij een plant de vegetatieve en de generatieve vermenigvuldiging op bepaalde wijze afwisselen, spreekt men van een voortplantings- of generatiewisseling. Tot nu toe waren de generatiewisseling, zoowel als de bevruchting, in hun laatste oorzaken en hun beteekenis voor de geschiedenis der plantenwereld onbegrepen en raadselachtig. In een der volgende hoofdstukken van dit werk za! een poging worden gedaan, om het groote raadsel op te'lossen.

Sporen en thallidiën.

De oude kruidboeken bevatten in het hoofdstuk, dat over de varens handelt, steeds een verwijzing naar het merkwaardige verschijnsel, dat de genoemde gewassen, wel is waar, niet bloeien en geen vruchten voortbrengen, maar zich niettemin in ruime mate voortplanten en vermenigvuldigen; dat zij dikwijls volkomen onverwacht in de spleet van een rotswand of in een scheur van een ouden muur opschieten, zonder dat men daar vroeger zaden had aangetroffen. In Duitschland fantazeerde men daarbij, dat de zaden van de Varenkruiden enkel in den tijd van den hoogsten zonnestand op een geheimzinnige wijze ontstonden, en dat die zaden alleen door ingewijden en onder toepassing van bepaalde tooverspreuken in den Sint Jansnacht konden worden ingezameld. Deze bijgeloovige meening werd echter al in de eerste helft van de 16de eeuw bestreden. Met name de geleerde samensteller van een toen zeer verspreid kruidboek, Hieronymus Bock, vertelt in zijn werk, dat hij zonder eenig bezweringsformulier telkens in den vollen zomer „varenzaad" kreeg, zoodra hij onder de veêren der varens een doek of een blad van een Toortsplant uitspreidde. Maar zelfs ten tijde van Lixnaeus tastte men ten opzichte van dit „Varen-

Sluiten