Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laag blijft en vormt een soort van doos of kapsel, die sporehouder of spormigium wordt genoemd. (Zie de afbeelding op blz. 10 in Fig. 13, 14 en 15). Een groep van zulke sporangia, heet kussentje, stofhoopje of sorus. Bij de Polypodiaceeën, een afdeeling der Varens, waartoe de meeste Europeesche soorten behooren, liggen die stofhoopjes of sori aan de achterzijde deibladeren of veêren, zooals de afbeelding van blz. 10 in Fig. 5 laat zien. Eiverheffen zich dan boven de in het groene weefsel gelegen nerven groepen cellen, als kleine kussentjes; elke cel van deze kussentjes kan uitgroeien tot een gesteeld sporangium, en soms bestaat een enkel hoopje uit niet minder dan 50 van die gesteelde sporangia.

Ook bij de Cyatheaceeën, waartoe de meeste Boomvarens behooren, vormen zich de hoopjes aan den onderkant der bladeren, maar hier ontstaat elk hoopje uit een kegeltje, dat loodrecht op de vlakte van de veêr of het blad staat. I >e uit de opperhuidcellen van dit kegeltje uitgroeiende sporehouders zijn zeer kort gesteeld, en op het groene weefsel der veêr staat buitendien een ringvormige verhevenheid, de ring of aiundiis, die als een bekertje den kegel van sporangia omgeeft; zie de afbeelding van blz. 10 in Fig. 10, 11 en 12.

Bij de fijne, ongemeen sierlijke en soms aan mossen herinnerende, meestal in tropische streken thuis behoorende Hymenophyllaceeën loopen de nerven van de slippen der Varenveêren tot buiten den rand van het groene weefsel en vormen een verlengstukje, welks opperhuidcellen de spontngiu vormen, liet verlengsel gelijkt dan een cylinder, die de sporehouders draagt en het gansche stofhoopje of sorus ziet er uit als een aartje. Elk aarvormig stofhoopje staat echter in een beker, daar zich het groene weefsel van het varenblad aan den rand der slippen als een ring verheft, zooals op de afbeelding van blz. 10 in Fig. 2 en 3 is te zien.

Bij de drie bovengenoemde groepen van varens zijn de sporangia uit opperhuidcellen ontstaan; bij de Gleicheniaceeën en Schizaeaceeën, waarvan twee vertegenwoordigsters op blz. 10 in Fig. f> en 7 zijn afgebeeld, zijn de sporehouders gemetamorphoseerde blaadjes. Hierbij moet de opmerking worden gemaakt, dat de veêren der varens, trots hun gelijkenis op bladeren, niet als gewone bladeren, maar als assen met een bladachtig voorkomen, dus als bladtakken, cladodiën of phyllocladiën moeten worden beschouwd en dat de van (Ie veêren uitgaande schubbetjes als de eigenlijke blaadjes moeten worden aangemerkt, een zaak, waarop wij later nog terugkomen. Enkele van die scliubvormige blaadjes zijn nu bij de genoemde twee afdeelingen der Varens in sporangia veranderd; andere weer vormen een beschuttend omhulsel om de ronde sporehouders, die in de op rijen gerangschikte groefjes der varenveêren zijn gezeten. Fig. 'J van de afbeelding op blz. 10 vertoont die betrekking zeer duidelijk bij een vergroot bladgedeelte van Gleirhvnia alpina.

Naar oorsprong en ontwikkeling weer heel anders zijn de sporen en sporangiën in die afdeeling der Varens, die onderden naam Ophioglossaceeën of Addertongachtigen saamgevat wordt, en waarvan één soort namelijk het Lancetvormige Maankruid, Botrychium lanceolatum, in Fig. 8 van de

Sluiten