Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te stellen met de sporangiën van de Mossen en de sporangiëndragende Paardestaarten, Wolfsklauwen en Varens.

In een derde groep zijn hier al die sporen saamgevat, die noch afzonderlijk in de afdeelirgen der cellen van een weefsellichaam ontstaan, noch door verbrokkeling van het protoplasma in t inwendige eener blaas, maar die door afsnoering en deeling tot stand komen. Het proces, waarbij deze sporen gevormd worden, verloopt op de volgende wijze.

Ascom yc et en of ascuszwammen. 1. Morielje, Morchella esculenta. 2. Lengtedoorsnede door het h\menium van deze; men ziet vijf blazen of asc'i, ieder met aseisporen; daar tusschen de draadvormige paraphysen: 120-maal vergroot. 3. Helotium tuba, 4-maal vergroot, i. Anthopeziza Winteri. 5. 1'eziza vesiculosa. ti. Helvella infula, Bisschopsmijtervormige „Lorchel". 7. Ifelvella fintulosa, Buislorehel.

Behalve fig. 2 en 3 alles ware grootte. — Zie blz. 17 en volgende hoofdstukken.

Het door een celwand omsloten protoplasma vormt in zijn binnenste een tusschenschot, waardoor het zich in twee helften en de celholte in twee afdeelingen verdeelt. Zoodra dat geschied is, splitst het tusschenschot in tweeën, en de beide cellen vallen uiteen. Had de cel, die zoo in tweeën werd verdeeld, de gedaante van een aan ééne zijde gesloten buis, dus van een blindeindigenden zak, en werd het tusschenschot dicht bij dat gesloten einde gevormd, dan maakt het den indruk, alsof het eind der buis ot de zak was afgesnoerd en daarna was afgevallen. Het overblijvende stuk vormt nu weder een blindeindigenden zak en bij sommige soorten kan zich de afsnoering aan hetzelfde stuk eenige malen herhalen. Men heeft dat einde, dat het uitgangspunt of om zoo te zeggen de basis voor de afgesnoerde sporen vormt, basidium genoemd. Wel werd deze

Sluiten