Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de afgesnoerde sporen door eigen hulsels zijn omgeven. Dat is meer bepaald liet geval in liet onder den naam van aecidium bekende ontwikkelingsstadium der R oestz wammen en bij de Bo visten.

De aecidiën doen zich voor als vormingen, die uit een mycelium voortkomen, 't welk het groene weefsel van bladeren donrwnplrerf n ïf'lif nnnnn.

V,' . ?"' ? ,V,nn" "ccn Knotszwam- 2. Daedalea quercina, een Buiszwani. 3. Maretsmtus tenerrtmus, 4. Marasnuus perforans, Plaatzwammen. 5. Craterellus clavatus, ccn Korstzwam Ihelephoiaeee. 6. Amamta phalloides, een Plaatzwam. 7. Een deel Tan het hvmenium van deze 250-maai vergroo , men ziet de kolfvormige lasidiën, niet naaldvormige sterignmta, aan wier uiteinden zich' de kogelvormige sporen Snoeren 8 Hydnun UnbricnUon, een Stekelzwan, 9. Polyporus perènX een Buiszwam. — Behalve fig. 7 alles ware grootte. - Zie 1.1 z. 19 en volgende hoofdstukken.

gehoopte uiteinden van myceliumdraden vormen de basidiën, waarvan snoer\ormige sporenrijen afgesnoerd worden, en deze zijn omgeven dooreen sporangium, dat zich heeft ontwikkeld uit de het basidium omringende cellen. Eerst nadat

Sluiten