Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

los aaneengegroeide cellen, die als een zak om de kern heen sluit. Bij het vrije uiteinde vormen de cellen van het omhulsel een soort van ring, die een navelvormige inzinking omlijst. De gelijkenis van deze knoppen met Orchideeënzaden, vooral met die van Zachtwortel, Malaxis paludosa, zelf, valt bij een vluchtige beschouwing reeds in het oog. In een volgend hoofdstuk zullen wij hierop nog uitvoerig terugkomen.

Veel minder dikwijls dan op de gewone stengelbladeren worden knoppen aangetroffen op de verder naar beneden gezeten lagere overgangsbladeren en op de tot de bloem behoorende bladeren.

Soms ziet men knoppen ontstaan op de schubben of rokken, die men van bollen heeft losgemaakt en in vochtig zand heeft gestoken. Dan ontstaan ze altijd op do plek, waar men de schubben van den bol heeft losgemaakt en beschadigd. Deze ervaring heeft de Nederlandsche bollenkweekers aanleiding gegeven, om de hyacinthen rechtstreeks door de bolschubben te vermenigvuldigen. Zij verwonden den bol door er een stuk uit te snijden, verwijderen eventueele bloemknoppen en maken een dwarse snede door het onderste gedeelte der bolschubben. Niet zelden worden de schubben ook in de lengte voor een deel gespleten. Men zou meenen, dat een aldus mishandelde bol na korter of langer tijd te gronde zou gaan, maar dat is volstrekt niet het geval, integendeel, aan de randen der kunstmatig gevormde snijvlakken ontstaan een menigte kleine bolknoppen, en er zijn gevallen bekend, waarin uit een enkelen hyacinthenbol op deze wijze meer dan 100 jonge bollen werden gewonnen.

Het zeldzaamst ontstaan er knoppen uit het weefsel van bloemdeelen. In het inwendige der vruchten van Crinum en Amaryllis werden herhaaldelijk, in plaats van zaden, op de vruchtbladeren ontwikkelde kleine knoppen aangetroffen. Deze waren geplaatst op rondachtige knobbeltjes, niet te onderscheiden van knolletjes. Werden ze op vochtigen grond gelegd, dan ontstond uit ieder ervan een nieuwe plant. In verband hiermede moeten wij reeds nu wijzen op de later nog te bespreken gevallen van parthenogenesis, waarbij zich uit den in het vruchtbeginsel verborgen zaadknop zonder bevruchting een kiemkrachtig zaad ontwikkelt.

Neemt men nogmaals een overzicht van de opgetelde afzonderlijke gevallen van knop vorming met betrekking tot hun oorsprong, dan blijkt liet. dat niet enkel cellen dor wortels, maar ook van de verschillende verdiepingen van den stengel en eveneens cellen van lagere overgangsbladeren, van gewone stengelbladeren en zelfs van hoogere overgangsbladeren of bloemdeelen, uitgangspunten kunnen worden van knoppen, d. i. van het begin van jonge spruiten. Uit dit feit laat zich dus het besluit trekken, dat de levende protoplasten, die het vermogen bezitten, zich te deelen, in alle cellen deiplant, van den worteltop tot het bovenste uiteinde van den stengel, 011 van de laagst»1 schubjes van het onderste stengellid tot de hoogst gelegen deelen deibloem, de verjonging en vermenigvuldiging op zich kunnen nemen, zonder van te voren bevrucht te zijn.

In gewone omstandigheden vormen echter alleen de protoplasten van die

Sluiten