Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is zij toch op verschillende gronden aan te nemen, en men mag zich voorstellen, dat de in het oöplasme opgenomen bestanddeelen van het spermatoplasma op dergelijke wijze werken als de enzymen, die zelfs door celwanden heen op het protoplasma der omgeving werken en daar verplaatsingen der moleculen teweegbrengen, zooals in Deel II op blz. 120 is uiteengezet. Dat de door het spermatoplasma op een bepaalde plek van het procarpium veroorzaakte verandering van cel op cel zoolang kan voortgaan, als er een voor die verandering ontvankelijk protoplasma aanwezig is, blijkt onder anderen ook hieruit, dat niet het trichogynium zelf, maar de verwijding aan den voet ervan en de cellen, die daaraan grenzen, een verdere ontwikkeling vertoonen. Zij nemen toe aan omvang, terwijl het trichogynium verschrompelt en afvalt.

De cellen, die liet door tusschenkomst van het trichogynium bevruchte protoplasma bevatten, moeten als de vrucht worden beschouwd. Wat er verder zich uit ontwikkelt, is niet meer de vrucht, maar een nieuwe generatie. Als in zooveel andere gevallen, bij voorbeeld bij mossen en vaatcryptogamen, blijft deze nieuwe generatie bij de Koodwieren met de vrucht, waaruit zij ontstond. verbonden, maar wijkt in vorm aanmerkelijk af van do generatie, die haar zelve deed ontstaan. Hier zij slechts in 't kort vermeld, dat de cellen der vrucht, na een kortere of langere periode van rust, beginnen te ontspruiten, dat ze een kluwen van sporen afscheiden en dat bovendien bij de meeste Florideeën uit de cellen aan den voet der vrucht reeksen van cellen opgroeien, die om het kluwen van sporen een overal gesloten wand vormen.

Hij de bevruchting van de tot hier toe besproken Cryptogamen heeft telkens een samensmelting plaats van het spermatoplasma met het oöplasma. De voor die vereeniging gereed gemaakte protoplasten verlaten daarbij de celruimten, waarin ze hun geslachtsrijpheid hebben erlangd, of ten minste uit een der beide geslachtscellen wordt het protoplasma vrijgelaten en komt dan ongehinderd tot het andere, in rust verkeerende protoplasma, om er zich volkomen mee te vereenigen. Voor dit doel moet vooraf een deel van den, het protoplasma omgevenden celwand zijn weggeruimd, want alleen dan is het mogelijk, dat de vereeniging plaats hebbe, die men zoo treffend „ineensmelting" van de protoplasten heeft genoemd. Heeft de bevruchting plaats langs osmotischen weg, dan is het verdwijnen der celwanden niet noodig; daarentegen is in die gevallen een wezenlijke voorwaarde voor het tot. stand komen der bevruchting, dat de celwanden, die door het spermatoplasma moeten worden gepasseerd, of misschien beter gezegd, waardoor de uitwisseling van bestanddeelen van liet spermatoplasma en van het oöplasma moet plaats hebben, een voor de osmose gunstigen bouw bezitten.

In den eenvoudigsten vorm werd de bevruchting langs osmotischen weg waargenomen bij de Erysipheeën, waartoe o. a. de zwam behoort, welke de ziekte der rozen, die Meeldauw genoemd wordt, veroorzaakt, bij de niet Aspergillus of Kwastschimmel en Penicillium of Penseelschimmel verwante schimmelsoorten, welker sporevorming vroeger is geschetst, en eindelijk bij verscheiden S c h ij f z w a m m e n , Disconnjcetes, met name bij den zeldzamen

Sluiten