Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gewoonlijk staan verschillende antheridiën dicht opeen. Tusschen die van bladmossen komen zoogenaamde paraphysen voor. die op haren of dunne draden gelijken, welker beteekenis tot nu toe nog niet duidelijk is geworden. Bij vele soorten ontwikkelt het eene individu enkel antheridiën, het andere alleen amphigoniën; bij andere daarentegen zijn antheridiën en amphigoniën naast elkander ontstaan op dezelfde mosplant. Is het laatste het geval, dan vertoont öf de ontwikkeling van liet oögonium een voorsprong op die van het antheridium, öf omgekeerd. Dan is dus de weg tot het oögonium door den hals van het amphigonium reeds vrij, als de er naast gelegen antheridiën nog gesloten zijn, öf de spermatozoïden worden uit de antheridiën reeds vrijgelaten, als de toegang tot liet oögonium door de dekselcellen van liet amphigonium nog is afgesloten, eene inrichting, waardoor, als in zoovele dergelijke gevallen, de vereeniging van het door eenzelfde individu gevormde oöplasma en spermatoplasma verhinderd wordt en dus een kruising van verschillende individuen wordt bevorderd.

Bij sommige Lever mossen rijzen rondom de antheridiën en ook rondom de amphigoniën groepen verheven cellen op, als ringvormige walletjes, 011 men ziet dan beide als het ware onder in een kuiltje van het loof liggen. Bij andere levermossen zijn enkele slippen of vertakkingen van het thallus in gestoelde schildjes en schermpjes veranderd, waaraan dan in afzonderlijke nissen en vakjes aan den onderkant de antheridiën en de amphigoniën ontstaan. Bij die mossen, welker loof verdeeld is in een stengelachtige hoofdas en vlakke, bladachtige deelen, ontstaan de antheridiën in de oksels der blaadjes en aan den top der hoofdas in fleschvormige holten.

Bij de Bladmossen eindigen de hoofdassen of de bijassen in groepen antheridiën of amphigoniën, en er zijn daar bepaalde blaadjes aanwezig als beschuttend omhulsel, de perichaetiale blaadjes, die het perichaetium vormen. Soms maken die blaadjes den indruk van bloembladeren, als bij voo; beeld bij de Polytrichunisoorten. Daarbij zijn de antheridiën en do amphigoniën over verschillende individuen verdeeld ; de perichaetiale bladeren op den top der stengeltjes, die in antheridiën eindigen, zijn dicht opeengedrongen, kort en breed, bruinrood gekleurd en gelijken op kleine bloemblaadjes, gezeten op een schijfvormigen bloembodem.

Deze Polytrichunisoorten kunnen ook als voorbeeld worden gekozen, waar er sprake is van mossen, die een zeer in 't oog vallend verschil vertoonen tusschen de perichaetiale bladeren, die de antheridiën en die, welke de amphigoniën omhullen. l)e individuen, waaraan alleen antheridiën ontstaan, hebben een geheel andere gedaante en groepeering van het perichaetium dan die, waaraan enkel amphigoniën worden aangetroffen. Van de stengeltjes van een Polytrichum, die amphigoniën droeg, gaan vaak lange stelen uit, de vruchtstelen, die de urnvormige sporekapsels dragen, welke zijn voortgekomen uit de amphigoniën, gelegen tusschen de lange, groene blaadjes op den top der stengeltjes en die daar bevrucht werden.

Zooals reeds gezegd is, bestaat er ten opzichte van het te bevruchten

Sluiten