Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkele malen vergroot doet zien. Daar het weefsel van deze eerste generatie nergens vaatbundels bezit, moet het als loof of thallus worden beschouwd, en men heeft indertijd aan deze eerste generatie den naam van prothallium gegeven.

De archegoniën zoowel als de antheridiën draagt het varenprothallium aan den onderkant, die naar den grond is gekeerd en waaraan zich veel fijne wortelharen hebben gevormd. Bij een deel der Varens komen antheridiën en vruchtbeginsels gescheiden voor, zoodat aan het eene prothallium alleen vruchtbeginsels, aan het andere alleen antheridiën ontstaan: bij andere daarentegen komen beide tegelijk voor aan hetzelfde prothallium. Is het laatste het geval, dan bevinden zich de vrouwelijke organen in de buurt van de insnijding, en de antheridiën dichtbij do plaats van het prothallium, die tegenover de insnijding gelegen is.

Elk vruchtbeginsel van een varen laat zich in vorm met een tlescli vergelijken en komt uit een aan de oppervlakte gelegen, zich slechts weinig daarboven welvende cel te voorschijn. Deze cel deelt zich door invoeging van twee tusschenschotten eerst in drie cellen, waarna elk opnieuw in bepaalde richtingen zich deelt. De bovenste cel groeit uit tot een weefsel, dat den hals van het fleschvormig vruchtbeginsel vormt, l it de middelste cel ontstaan drie nieuwe, waarvan de bovenste bet halskanaal vullen, terwijl de onderste het betrekkelijk groote, zich later afrondende oögonium zal vormen. De uit do benedenste cel voortgekomen dochtercellen vormen een omhulling van het oögonium en kunnen, als men de vergelijking met een tlescli vasthoudt* beschouwd worden als de wand van liet, buikig verwijde deel der tlescli. Het oögonium, welks protoplasma het oöplasma is geworden, is nu door een veelcellig weefsel omgeven, dat evenals bij do Kranswieren en Mossen, den naam kan dragen van amphigonium. liet steekt alleen met zijn halsvormig gedeelte uit boven het omringende andere weefsel van het prothallium; het buikig verwijde gedeelte ligt als het ware in liet prothallium weggedoken.

Ook de antheridiën ontwikkelen zich uit cellen aan de oppervlakte van het prothallium. Eerst steken deze als kleine verhevenheden boven de omgeving uit en nadat door invoeging van tusschenschotten een deeling heeft plaats gehad, wordt de bovenste cel grooter, neemt een bolvormige gedaante aan en het protoplasma daarin gaat over in de kurketrekkervormig gewonden spermatozoïden. Of wel er ontstaat een halfbolvormig of naar hot rolronde overhellend weefsellichaampje, waaraan men duidelijk het onderscheid opmerkt tusschen centrale, bladgroenlooze en omhullende, bladgroenhoudcnde cellen. In een der groote, centrale cellen ontstaat een opvullend weefsel, welks kleine cellen spermatoplasma bevatten. Nadat in elk dezer kleine cellen een spermatozoïde is gevormd, valt het weefsel uiteen, dat is de afzonderlijke cellen ervan scheiden zich van "elkaar en liggen korten tijd los naast elkander. Eindelijk opent zich het antheridium aan zijn top; de losse cellen worden vrijgelaten in het omgevende regen- of dauwwater en uit elk ervan komt een kurketrekkervormig gedraaide, aan de voorste helft van uiteenstaande wimpers voorziene

Sluiten