is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spermatozoïde naar buiten. (Zie de afbeelding van blz. 37 Deel I in Fig. 11.)

De daarop in het water rondzwemmende spermatozoïden der varens bewegen zich blijkbaar naar een amphigonium toe. Daarin zijn intusschen de halscellen gedeeltelijk verslijmd: een weinig slijm werd in het omringende water uitgestooten, en bij deze gelegenheid schijnen zich organische zuren in de omgeving van het amphigonium te hebben gevormd, die aantrekkend op de spermatozoïden werken. Een feit is het, dat de spermatozoïden zich ophoopen in die slijmige massa en ook door het in het halskanaal van t amphigonium achtergebleven slijm heendringen. Zoo komen ze bij het op den bodem van het vruchtbeginsel in het oögonium zich bevindende oöplasma. Daar men herhaaldelijk heeft gezien, dat spermatozoïden in het oöplasma binnendrongen en daar verdwenen, mag men aannemen, dat de teêre wand van het oögonium door de spermatozoïde doorboord wordt en dat hierop een ineensmelting van de beide soorten van protoplasma plaats heeft.

Het bevruchte oöplasma splitst zich nu in vele gedeelten, waar tusschenschotten worden tusschengevoegd, en zoo ontstaat een veelcellig embryo, dat in het onveranderde amphigonium blijft liggen. Het aldus gevormde orgaan, ofschoon weinig van het vruchtbeginsel verschillend, moet als vrucht worden beschouwd. Na een korte periode van rust ontkiemt het embryo, en de nieuwe generatie, die zich nu ontwikkelt, doordat uit de cellen van liet embryo stengel, wortel en varenveêren voor den dag komen, ontvangt nog korten tijd hare voedingsstoffen door tusschenkomst van het moederlijk prothallium. Als eindelijk de nieuwe generatie krachtig genoeg is geworden, als zij de voedingsstoffen uit de omringende lucht en den omringenden grond onmiddellijk kan opnemen en ze in bouwstoffen kan omzetten, is de hulp van het prothallium overbodig geworden; het verwelkt en is in den tijd, waarop de varenveêren tot ontwikkeling komen, spoorloos verdwenen.

De Paardestaarten, Equisetaceae, de Wolfsklauwen, Lycopodeaceae, en de Watervarens, Hi/drnptcridinae of Bhizocurpeae, komen, wat den vorm van de antheridiën en de vruchtbeginsels betreft, met de als voorbeeld voor de vaatcryptogamen zooeven geschetste varens in hoofdzaak overeen. Het uit de spore van een Paardestaart te voorschijn gekomen prothallium is eerst dun en lintvormig, wordt later echter veelvuldig verdeeld in slippen en herinnert in zijn gedaante aan het loof van sommige Levermossen, menigmaal ook aan een klein, gekroesd blad. Bij de meeste Paardestaarten ontwikkelen zich antheridiën en vruchtbeginsels op verschillende prothalliën. Waar dat niet het geval is, wordt de bevruchting van het oöplasma door het van hetzelfde individu afkomstige spermatoplasma ten gevolge der niet gelijktijdige ontwikkeling der beide organen onmogelijk gemaakt. De prothalliën, waaraan antheridiën ontstaan, zijn altijd kleiner dan die, waaraan zich vruchtbeginsels ontwikkelen.

Do antheridiën ontstaan bij de Equisetaceeën uit de aan de oppervlakte gelegen cellen aan den top of den rand van het vertakte prothallium, de vruchtbeginsels daarentegen uit de cellen, die in de insnijdingen der slippen aan de oppervlakte liggen. (Zie de afbeelding op blz. 13 in Fig. .8). De spermatozoïden