Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd zoowel liet spermatoplasma als het oöplasma doelmatig beschermd zijn en dat er in de omhulsels slechts zooveel ruimte over zij, dat het spermatoplasma het oöplasma kan bereiken. Bij alle Phanerogamen is daarom, geheel afgezien \an de overige bloembekleedselen, reeds de onmiddellijke omgeving van de geslachtscellen tot een beschermenden mantel geworden; de lagen cellen van dezen mantel zijn verdubbeld en verdrievoudigd, de cel wanden zijn eveneens doelmatig verdikt en steeds is er voor gezorgd, dat de buitenste lagen der cellen voldoende behoed zijn tegen geheele of ook slechts tijdelijke uitdroging, en dat de inwendige voor den tijd der bevruchting steeds genoeg vocht kunnen krijgen, zoodat ook de noodzakelijke turgor in 11 en behouden blijft.

Het duidelijkst treedt dit aan den dag bij die deelen van het vruchtbeginsel, w aai uit later de zaden zullen ontstaan en die zaadknoppen worden genoemd, (/ie blz. 346 van Deel II). Klke zaad knop bestaat namelijk uit het weefsel dat het oöplasma of liet oögonium bevat, de kern, nucleus, en een die kein omgevend, enkelvoudig ot dubbel omhulsel, het iiitegunientunt. Die deelen zijn bij het vruchtbeginsel van het geslacht Cycas voor den blik van den beschouwer zichtbaar, maar door een dicht haarvilt tegen te ver gaande uit— droging beschut, zooals de afbeelding van blz. 82 in F/</. 7 en 8 laat zien. Hij andere Cycadeeën, zooals in 't algemeen bij de meeste Naaktzadige gewassen, dus bij voorbeeld bij Jeneverbes en Cypres, Den en Spar, zijn de bladachtige schubben van liet vruchtbeginsel zóó gerangschikt en gegroepeerd, dat de op hun oppervlakte ontstaande zaadknoppen in diepe schuilhoeken zijn verborgen, zoodat zo tegen alle mogelijk dreigende gevaren beveiligd zijn en men ze bij oppervlakkige beschouwing in 't geheel niet ziet. Mij de overige Phanerogamen eindelijk is een de zaadknoppen omsluitend hulsel aanwezig, de zoogenaamde stamper, [nstillum, welks onderste verwijde gedeelte vi uchtbeginsel in engeren zin, (jennen of ovarium genoemd wordt, zooals reeds op blz. .I4(i van Deel II werd besproken.

Aan den opbouw van den stamper nemen het bovenste deel van den stengel en die „hoogere overgangsbladeren" deel, die den naam vruchtbladen dragen. Maar het aandeel van beide aan deze vorming is zoo verschillend, dat men kan zeggen, dat bij do eene plant de geheele stamper enkel uit den stengel, bij de andere enkel uit de vruchtbladeren is opgebouwd. Dat komt, doordien de top van den stengel, waar de bloembekleedselen van uitgaan en die daarom ook de bloembodem heet, zoo buitengewoon veel verschillende vormen vertoont. In een reeks van gevallen is de bloembodem niet uitgehold, maar massief en doet zich voor als het knop-, kolf- of kegelvormig uiteinde van den bloemsteel zooals de nevenstaande afbeelding in Fig. 8 en 9, en ook in Deel II blz. 488 Hg. 6 aantoont, terwijl hij in een andere reeks van gevallen er uitziet, alsof men hem op den top had ingedrukt en uitgehold, zooals de afbeelding van blz. 82 in Fig. 1 en 2 aangeeft. Indien men uit een plastische massa, bij bij \ oorbeeld van weeke was, een kegel maakte en dien kegel door een zwakke drukking op den top ging afplatten en dan langzamerhand hem door sterkere drukking kuilvormig uitholde, zoodat er ten slotte een beker ontstond, dan

Sluiten