Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

phinium, Ridderspoor, dienen, de laatste afgebeeld op blz. 84 in Fig. 3 en 4; verder Helleborus, Kerstroos en andere uit de familie der Ranu ncu 1 aceeën.

3. De vruchtbladeren staan in kransen rondom den kegelvonnigen bloembodem, zijn opgerold en met de opgerolde randen beneden aan den spilvormig verlengden bloembodem vastgegroeid. Daar zij met hun benedenste gedeelte ook onderling zijdelings zijn samengegroeid, vormen ze één veelhokkige vrucht. Elk vruchtblad heeft zaadknoppen aan den binnenwand. Als voorbeelden kunnen dienen de Gele P lomp, Nuphar en de Z w a n eb 1 o e m, Butomuk, afgebeeld op blz. 84 in Fig. 7 en 8.

4. De vruchtbladeren ontspringen dicht onder den top van den kegelvonnigen bloembodem, vormen een krans en zijn met elkander tot een enkel geheel vergroeid. De kegelvormige bloembodem steekt niet in de vrucht omhoog. Elk vruchtblad heeft zijn zaadknoppen öf aan de randen als bij Reseda, afgebeeld op blz. 79 in Fig. 3 en 4, öf op de binnenoppervlakte, als bij Zonnedauw, Drosera, öf wel aan den voet, als bij Dionaea, Drosnphyllum en de tot de Resedaceeën behoorende Caylusea. In het laatste geval ziet men de zaadknoppen opeengehoopt liggen op den bodem der vrucht en men zou ze op het eerste gezicht voor bovenste vruchtbladeren kunnen houden, gelijk aan die, welke bij de Primulaceeën voorkomen. Bij de Reseda is het door de vruchtbladeren gevormde doosje van boven op.

De vruchtbladeren ontspringen onder de in het vruchtbeginsel opstekenden kegelvonnigen bloembodem, zijn ver naar binnen omgevouwen en hun verdikte, de zaadknoppen dragende randen zijn met den vleezig verdikten kegelvonnigen bloembodem vergroeid. Hiertoe behooren de Scrophularineeën en do Solaneeën, bij voorbeeld, de Aardappel, Solanuni tuberoxum, waarvan de vrucht is afgebeeld op blz. 79 in Fig. 10 en 11.

II. Twee soorten van vruchtbladen.

<i. De vruchtbladeren ontspringen dicht onder den top van den kegelvonnigen bloembodem en zijn geplaatst in twee kransen, die slechts uit twee leden bestaan of, met andere woorden, in twee kruiswijs staande paren. De beide tegenoverstaande bovenste vruchtbladeren zijn gemetamorphoseerd in ribben, die de zaadknoppen in twee rijen gerangschikt bevatten. Tusschen deze beide ribvormige vruchtbladeren is een dun vliesje uitgespannen, wat ten gevolge heeft, dat ze samen den indruk maken van een vensterruit. De benedenste vruchtbladeren hebben geen zaadknoppen en vormen kleppen, die zich aanleggen tegen do door de bovenste vruchtbladeren gevormde lijst. Deze vorm komt met velerlei wijzigingen bij de Cruciferae, de K r uisbloem ig en voor.

7. De vruchtbladeren ontspringen eveneens dicht onder den top van den kegelvonnigen bloembodem en vormen mede twee kransen; die van den ondersten krans dragen geene zaadknoppen en zijn vergroeid tot een vruchtwand, die van den bovensten krans dragen de zaadknoppen en zijn gemetamorphoseerd in randen of lijsten, die tegen den binnenkant van den door den benedensten krans gevormden wand zijn aangegroeid. Hiertoe behooren het Viooltje, Viola afgebeeld op blz. 79 in Fig. (i en 7; de Stinkende Gouwe, Chelidodium, en de Klaproos, Papaver.

Sluiten