Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het stuifmeel, de oorspronkelijke tusschenschotten als twee elkander rechthoekig kruisende fijne lijsten nog te zien zijn.

Iets dergelijks bespeurt men ook bij de in Fig. 31 afgebeelde helmknoppen van het Vetblad, Pinguicula, en over 't geheel bij de meeste zoogenaamde mono thee ische helmknoppen, dat zijn die met één theca of antherenhokje. Hij vele Lipbloemigen echter, waarbij telkens twee naburige en aangrenzende helmknoppen op de plaats van aanraking met elkaar verbonden worden, vereenigen zich de openingen der bokjes van beide helmknoppen, en terwijl deze openingen wijd gapen, ontstaat een dubbele nis met uitgeschulpten rand, die door de beide boogvormige helmdraden gedragen wordt, zooals Fit/. 22 en 23 doen zien.

De openingen zijn soms min of meer ronde gaatjes, dan weer smalle spleten. Helmknoppen, die met gaatjes of poriën opengaan, treft men in rijke verscheidenheid aan bij de Boschbessen en talrijke stijfbladige gewassen. Zoo bij voorbeeld zijn de antheren van de Blauwe Boschbes, Vaccinium Myrtillus, en ook die van verschillende soorten van Wintergroen. Pirola, tot kortere of langere buisjes uitgerekt, en elk buisje gaat op den top open met een cirkelronde opening, zooals de afbeelding in Fig. 8, 11. 12 en 14 aantoont.

Veelvuldiger komen voor de helm knoppen die met spleten opengaan. Dit zijn dan lengtespleten, die overlangs geplaatst zijn, dwarse spleten, öf wel ze verloopen langs een kronkelende of halfcirkelvormige lijn. In het laatste geval wordt een stukje uit den antherenwand losgesneden, dat op een klepje gaat gelijken. In 't begin lijken de spleten een met een scherp nies uitgevoerde snode, zooals in Fig. 1 bij Calandrinia. In veel gevallen blijven de randen der spleet dicht bij elkander, zoodat de opening den vorm heeft van een smalle gleuf; meestal gaat echter de gleuf een weinig gapen, de randen verschrompelen en trekken zich samen, rollen zich naar buiten op, of worden als deksels of als vleugeldeuren teruggeslagen.

De overlangsche spleten reiken i>f over de geheele lengte, van het eene tot liet andere einde van het helmhokje, zooals in Fig. 1, öf zij doen zich voor als een korte, gapende scheur nabij den top der anthere. In liet laatste geval, dat in 't bijzonder bij de Nachtschaden wordt waargenomen, en dat door Fig. 2, 3, <>, 7, 9, 10, 13, 15 en 1(> is voorgesteld, gelijken de spleten veel op de poriën en zijn er dikwijls alleen op grond der ontwikkelingsgeschiedenis van te onderscheiden, iets, waarop wij later nog zullen terugkomen. Soms vereenigen zich de korte, gapende spleten van nabij elkaar gelegen, met stuifmeel gevulde hokjes, dan ontstaat aan den top van den helmknop of dicht daar beneden een opening met hart- of ruitvormigen omtrek, en al liet stuifmeel uit de beide helften van den helmknop moet door die ééne opening worden vrijgelaten. Zoo is het bij voorbeeld gesteld met de Cyclamen en met liamondia. welker meeldraden in de Fig. 4 en 5 van de afbeelding zijn voorgesteld.

Dwarse spleten, treft men in allerlei vormen aan bij de meeldraden der Euphorbiaceeën of Wolfsmelkachtigen, bij de Cyclanthaceeën, bij Leeuweklauw (Alchewilla) en bij Sildmldia, afgebeeld in Fig. 17 en 18;

Sluiten