is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

011 zeker hangen ook de eigenaardige teekeningen, die op de oppervlakte der stuifmeelkorrels te zien zijn, in hoofdzaak af van de mozaïekachtige groepeering dier staafjes. Doordat zich bepaalde groepen van deze boven de andere verheffen, ontstaan oneffenheden, ruwheden en uitwassen op de oppervlakte, en in overeenstemming met de lengte en de verdeeling van de sterker naar' voren komende staafjes en van groepen ervan, ziet men korreltjes en wratjes, stekels, naalden en haren, groeven en gekartelde lijsten, getande richels en netvormige sculpturen ontstaan, zooals ze in de voorgaande regelen beschreven zijn en dooide figuren op blz. 109 en 111 zijn verduidelijkt, In vele gevallen zijn trouwens alle staafjes van gelijke lengte, en dan is de buitenwand volkomen glad en effen.

\ aak komt het ook voor. dat ten gevolge van het uiteenwijken der staafjes op bepaalde plaatsen in den buitensten wand kleine holten of wel zeer fijne kanalen ontstaan, die naar buiten uitloopen in een opening, die als een fijn stipje zich voordoet, zooals bijzonder duidelijk te zien is bij Thesium, Pnniella, Ipomaea en Gen tin na. In die fijne kanalen bevindt zicli een meestal geel gekleurde' soms ook kleurlooze vette olie, die, als de stuifmeelkorrel bevochtigd wordt en water opneemt, bij de genoemde openingen der kanaaltjes zich in den vorm van kleine droppeltjes vertoont. Zoo is het ten minste 't geval bij de reeds nauwkeurig onderzochte soorten 1'nmella grand iflora en Geutiana ciliata. Bij vele andere soorten van planten behoeft die oiie niet ten gevolge van een toeneming van den turgor uit den stuifmeelkorrel naar buiten te worden geperst, want de geheele oppervlakte van den uitwendigen wand is ermee overtrokken en wel reeds bij de niet niet water bevochtigde korrels. Van 520 soorten, welker stuifmeel nauwkeurig is onderzocht, was bij ongeveer 401) do vette olie als overtrek verspreid over de oppervlakte van den uitwendigen wand. Wel vormt zij zulk een dunne laag, dat zij bij de droge stuifmeelkorrels aan de waarneming ontsnapt, maai voegt men water bij dat stuifmeel, dan gaat het overtrekje dadelijk in kleine, het licht sterk brekende droppeltjes over, die als parels den opgezwollen korrel bedekken. Daar deze druppeltjes oplosbaar zijn in alcohol en in olijfolie en bij toevoeging van osmiumzuur een donkere kleur aannemen en vast worden, is het niet twijfelachtig, dat ze werkelijk uit een vette olie bestaan.

Veel zeldzamer is het geval, dat buiten tegen de stuifmeelkorrels een vormlooze taaie massa is afgezet, die na toevoeging van water geen droppels vormt, ook niet oplosbaar is in alcohol of olijfolie, en die men om hare gelijkenis met de vogellijm, die uitde bessen van de Maretakken, Viscum, verkregen wordt, den naam viscine heeft gegeven. Men treft die viscine vooral aan op de oppervlakte der stuifmeelkorrels van Fuchsia, Clarkea, Circaea, Gaura, Godetia, Oenothera, E/nlobium, en over 't geheel bij alle Onagraceeën, evenzoo bij de tot tetraden of viertallen en pollinaria verbonden stuifmeelcellen van de Azalea's, Alpenrozen, Orchideeën en Asclepiadaceeën. De viscine is buitengewoon kleverig, hecht ziel. bij de minste aanraking aan het voorwerp, dat er bij komt, en is tegelijk zoo taai, dat /e als gesmolten suiker tot lange, dunne draden kan worden uitgetrokken.

De uit, de helmhokjes van de Nachtkaars, Omothera, en van de Smal-