Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats gehad. De niet verdunde met vet doortrokken deelen van den buitenwand spelen bij deze verschijnselen slechts een passieve rol. Het water kan daar doorheen niet naar binnen dringen, en ook bij het opzwellen der cellen heeft wel eene verandering der omtrekken, maar geen uitrekking en ook geen vlaktegroei van dien buitenwand plaats.

Ook later, als de intine uitgroeit en den vorm eener stuifmeelbuis aanneemt, wordt de buitenwand van den stuifmeelkorrel niet wezenlijk veranderd; de verdunde plekken worden doorgebroken, waar deksels aanwezig waren, worden die opgelicht, en de naar den zaadknop voortschrijdende, met de buisvormige intine bekleede protoplast verlaat op een der verdunde plaatsen zijn door den buitenwand omsloten kluis, niet ongelijk aan het embryo, dat bij de kieming de harde zaadhuid verlaat. Zooals het echter bij de kieming een voordeel is, als de zaadkorrel op het kiembed een weinig wordt vastgehouden, omdat daardoor de zich ontwikkelende en met haar worteltje in den grond dringende kiem een stevigen steun krijgt, zoo kan het ook voor de zich verlengende en haar omhulsel verbrekende stuifmeelbuis van belang zijn, als dat omhulsel wordt vastgehouden, en in zoover kan wel aan de groeven, kammen, doorntjes en naalden een bijzondere beteekenis moeten worden gehecht, als hulpmiddelen 0111 den korrel te bevestigen op die plaats, waar het uitkomen van de stuifmeelbuis moet geschieden.

Üe gewichtigste rol spelen echter de teekeningen, uitwassen en overtrekken van den buitenwand, doordat zij het samenhangen van grootere hoeveelheden afzonderlijke stuifmeelkorrels tot kruimelige massa's bevorderen en veroorzaken, dat die korrels gemakkelijk achterblijven in de spleten der opengesprongen helmhokjes en eerder blijven hangen aan het lichaam van insecten en andere dieren, die voedsel zoekend in de bloem komen. Men kan die eigenschap hec htvermogen noemen, en liet stuifmeel, dat deze eigenschap bezit, samenhangend of kleverig pollen, in tegenstelling tot het stuivende pollen, welks cellen een gladde oppervlakte bezitten, en in 't geheel niet kleverig zijn, die dan ook niet aan elkander zich hechten, niet aan vreemde lichamen blijven hangen en daarentegen bij de minste schudding en het zwakste windje als stof in de lucht opdwarrelen.

Het spreekt van zelf, dat stuifmeelkorrels met gladde oppervlakte, die den vorm van een bol of een ellipsoïde bezitten, gemakkelijker wegstuiven dan die, welke kubusvormig zijn of dodecaëdrisch of kristal.vormig. Bollen en ellipsoïden hebben immers minder aanrakingspunten dan kristalvormige lichamen, die met hun vlakke kanten zich tegen elkander aan kunnen leggen. Als de oppervlakte bezet is met groeven, stippen, wratten, doorntjes en naald- of haarvormige uitwasjes, wordt het aantal punten van aanraking buitengewoon veel grooter. Kleine uitsteeksels aan de oppervlakte van nabij elkaar liggende stuifmeelkorrels grijpen als de raderen van een uurwerk in elkander, langere aanhangsels slaan in elkaar als de vingers van saamgevouwen handen, en zoo komt het. dat dikwijls honderden aaneengrenzende stuifmeelkorrels als klissen aan elkander hangen. Dat de daardoor ontstane kruimelige klompjes gemakkelijk aan de

Sluiten