Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingesloten tusschen talrijke, in vele spiralen gerangschikte, dicht opeengedrongen meeldraden, en deze worden weer omgeven door bekervormige bloembekleedselen, die overdag wijd openstaan, maar na zonsondergang zich aaneensluiten en een koepel vormen over de meeldraden. De helmknoppen van deze bloemen gaan niet gelijktijdig open, maar zeer geleidelijk eerst het eene en dan het andere groepje. Eerst wordt het stuifmeel vrijgelaten uit de buitenste, het dichtst bij de bloembekleedselen staande helmknoppen, welker helmdraden dan nog kort zijn. Zooals te begrijpen is, kunnen om die te overdekken, ook betrekkelijk kleine bloembladeren dienst doen. Langzamerhand openen zich echter ook de meer naar het midden der bloem gelegen helmknoppen; de helmdraden daarvan verlengen zich, en nu zouden de bloembekleedselen, welker lengte in den aanvang voldoende was, niet meer in staat zijn, om 's nachts een gewelf of dak over alle met stuifmeel beladen antheren te vormen; doch de bloembladen worden van dag tot dag langer, tot eindelijk ook de het dichtst bij de stampers gelegen helmknoppen hun stuifmeel hebben aangeboden en afgestaan. Bij de Winteraconiet, Eranthis, verlengen zich op die wijze de bloembekleedselen van 11 tot 22; bij de Leverbloem, Hepatica, van (> tot 13 niM., dus tot het dubbele hunner oorspronkelijke lengte!

Een zonderlinge manier van sluiting der bloembekleedselen vertoont de Californische, tot de Papaveraceeën behoorende Eschscholtzia Califomica, afgebeeld op blz. 130 in Fig. 1 en 2. Overdag staan de vier goudgele bloembladeren wijd uitgespreid. Het stuifmeel valt, uit de in het midden der bloem in een bundeltje staande meeldraden, als melige massa op de schotelvormige kroonbladeren en ligt er als een laagje tot een hoogte van één millimeter opgestapeld. Als nu de avond komt, worden niet de in het midden staande antheren beschermd, die het stuifmeel toch reeds hebben verloren, maar er worden vier daken over het uitgevallen stuifmeel opgezet, doordat zich ieder kroonblad oprolt en er gaat uitzien als oen papieren peperhuisje met 'de punt naar boven gericht.

l)e tot hoofdjes vereenigde bloemen van Paardebloem (Tararacum), Veldlatuw (Lactuca), Cichorei (Cichorium), Akkerk ooi (Lumpsana) en van nog vele andere samengesteldbloemigen, waarvan hier als voorbeeld de bloem van Hieracium pilosella, Langharig Havikskruid, afgebeeld op blz. 130 in Fig. 4, gegeven is, zijn aan den voet buisvormig, maar daarna aan ééne zijde verbreed tot een lint, ook wel tongetje, ligula genoemd. In de diepte dier tong- of lintvormige bloemen, de lint bloemen, staan vijf meeldraden, welker helmknoppen tot een buis vergroeid zijn. Die buis is al vroegtijdig gevuld met liet uit de lengtespleten der helmknoppen naar binnen uitvallend stuifmeel. Ook ligt in dat buisje de stijl, die al spoedig na de vrijwording van het pollen zich verlengt en daarbij als de zuiger van een pomp werkt en het die huis vullende stuifmeel vóór zich uit duwt, tot hij de opening der antherenbuis. Het boven die helmknoppenbuis op den stempel of het uiteinde van den stijl rustende stuifmeel moet door insecten, die op de bloemhoofdjes neerstrijken, worden meegevoerd. Maar het is de vraag, of er zich reeds weinige uren, nadat

A. Kkk\kr vos Marii.aun, Het. leven der planten. III. ''

Sluiten