Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antherenbuis dragen, vóór de monding dezer buis naar buiten gebracht wordt.

Bij Onopordon en Centauren trekken zich namelijk de helmdraden ten gevolge van mechanische prikkels samen; zij verkorten zich en halen daardoor de antherenbuis omlaag. Daar deze laatste als een foudraal om den stijl sluit, maaide stijl noch korter wordt, noch van plaats verandert, wordt na het neêrtrekken van het helmknoppenkokertje het boveneind van den stijl zichtbaar, en ook het stuifmeel, dat op den stijl is afgezet, komt te voorschijn en doet zich voor als een kruimelige massa op den top van den stijl, boven den koker van helmknoppen. Als de mechanische prikkel op de helmdraden het gevolg was van de beweging, door een insect gemaakt, dat op de bloemhoofdjes rondkroop, dan wordt het kruimelige stuifmeel, nadat het pas naai- boven was gebracht, ook ook reeds door de insecten afgestreken, en de geheele inrichting is er dus blijkbaar op berekend, dat dezelfde insecten, die door aanraking met den snuit of met de klauwtjes van hun pooten de verkorting der helmdraden, het neertrekken van het kokerje der helmknoppen en de ontblooting van het stuifmeel veroorzaakten, ook met het stuifmeel worden beladen. Tot aan den tijd van het insektenbezoek is het stuifmeel echter verborgen in het door de helmknoppen gevormde foudraal en dit heeft het voordeel dat het daarbinnen beschut is tegen regen en dauw.

De genoemde Samengesteldbloemigen hebben toch rechtovereindstaande bloemhoofdjes; Onopordon, Wegdistel, heeft daarin noch lintvormige, bewegelijke randbloemen, noch stralende, zich sluitende omwindselbladeren; Centauren heeft randbloemen, maar die missen het vermogen, zich als beschuttende bedekking over de in het midden staande buisbloemen uit te strekken. De stelen der hoofdjes gaan bij slecht weder noch overhangen, noch knikken, in 't kort, het stuifmeel van deze Composieten mist de veelvuldige beschuttingsmiddelen, die voorkomen bij andere geslachten van dezelfde familie en die op de voorgaande bladzijden werden besproken. Daarvoor neemt nu bij hen de helmknoppenbuis zelf de bescherming op zich van het vrijgeworden stuifmeel, en dat wel tot op het oogenblik, waarop zich die insecten op de bloemen plaatsen, die geroepen zijn tot het afhalen en vervoeren van het stuifmeel.

Dat het stuifmeel ook bij de planten met naar buiten gekeerde helmknoppen, welker met samenhangend stuifmeel gevulde hokjes met de opening naar den grond zijn gericht, terwijl hun achterzijde naar den hemel, dus ook naar den neervallenden regen is gekeerd, hierdoor eenigszins tegen vocht wordt beschermd, willen wij hier slechts terloops opmerken. Belangrijker is het feit, dat de schadelijke invloed van regen en dauw op de stuifmeelkorrels door eigenaardige reliëffiguren op de oppervlakte dier korrels kan worden belet. Reeds werd er op zulke gevallen gewezen aan het slot van het voorgaande hoofdstuk. Zij zijn over 't geheel zeldzaam en, naar het schijnt, beperken ze zich tot planten uit tropische en sub-tropische streken. Het stuifmeel van de mooie klimmende Polemoniacee, Cobaea seandens, dat O]» blz. 109 in Firj. 1 is afgebeeld, moge hier als voorbeeld worden aangevoerd.

Sluiten