Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot nu toe kent men deze met behulp van den wind tot stand gebrachte overbrenging van kleverig stuifmeel, gedragen op drijvende bootjes, die door bloembladen gevormd zijn, behalve bij de zeer verspreide Vallisneria spiralis, ook nog bij de in tropisch Azië inheemsche Vallisneria alternifolia, bij de in den Indischen en Stillen Oceaan verspreide Eiialus acoroides, bij Hydrilla verticillato en bij de Waterpest, Elodea Canadensis, alsook bij eenige in het Kaapland €ii in tropisch Afrika voorkomende soorten van het geslacht Lagarosiphon, in 't geheel slechts 13 soorten, die tot de kleine familie der Hyd r och ar ideeën behooren. Dat is een in 't niet zinkend klein getal, vergeleken bij het aantal van die plantensoorten, die los, poedervormig of onsamenhangend melig stuifmeel bezitten, en waarbij de overbrenging van het stuifmeel uitsluitend en gedurende den geheelen bloeitijd door bewogen lucht in <1 e n v o r m van stofwolkjes plaats heeft.

Men slaat den bal niet ver mis, wanneer men dit aantal der rechtstreeks door den wind bestoven planten schat op 10.000, wat ongeveer met het tiende gedeelte van alle Phanerogamen gelijkstaat. Tot deze afdeeling behooren de naaldboom en, de eiken, beuken, hazelaars, berken, elzen en populieren, de walnoten en moerbeien, de platanen en de meeste palmen, dus gewassen, die als boomen slank omhoog groeien, met voorliefde in groote groepen bijeen staan, soms omvangrijke wouden samenstellen, en uitmunten door een ongewoon groot aantal individuen; verder ook de gezellig levende halmplanten, de grassen der weiden, prairieën en savannen, de zeggen, russchen en biezen der venen en de graansoorten onzer bouwlanden; bovendien hennep en hop, brandnetels en weegbreeën, •de in stilstaande en stroomende wateren zoo algemeene fonteinkruiden en nog tal van andere planten uit de meest verschillende familiën.

Eene eigenaardigheid, die aan deze uitsluitend door den wind bestoven planten bijzonder in 't oog valt, is het gemis aan levendig gekleurde, geurende bloemen. De bloembekleedselen zijn bij hen betrekkelijk klein, groen- of geelachtig en steken bij de groene bladeren in 't geheel niet of slechts weinig af. Binnenin de bloem komt geen honig voor en er stijgt geen gemuit op. Voor deze bloemen is het geen voordeel, als ze door insecten worden bezocht, en dus hebben ze ook de lokmiddelen niet noodig, waardoor hommels, bijen, vliegen en vlinders worden aangetrokken; zij behoeven geen reukstoffen te bezitten en geen zoete sappen en geen levendig gekleurde, tegen het groen der bladeren afstekende en van verre zichtbare bloemen.

Hiermee bedoelen wij niet te zeggen, dat de bloemen dezer planten door het volk der insecten volstrekt en volkomen vermeden worden. Veel van de genoemde dieren komen immers ook op het stuifmeel af, en men ziet daarom ook bij de bloeiende katjes van hazelaars en berken, bij de aren van de weegbree en de pluimen van grassen, biezen en russchen niet zelden stuifmeelverzamelende en stuifmeeletende insecten rondgoiizen; maar deze bezoekers der bloemen spelen hier toch als tusschenpersonen voor de overbrenging van stuifmeel slechts eene zeer ondergeschikte rol; zij kunnen wel, doordat zij stooten

Sluiten