Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervloeien en met korte tusschenpoozen nu eens wat sterker, dan weer zwakker zijn, is ook de eerste beweging, die het wegstuivende pollen ondergaat, een golvende; maar spoedig onttrekt zich het stofwolkje op zjjii verderen weg aan het gezicht, en alleen dit kan men nog constateeren, dat het stuifmeel, evenals opwarrelend stof van den weg, een schuin opstijgende richting volgt.

Met deze omstandigheden staan dan ook de verdeeling en de vorm van de stempels, die stuivend pollen moeten opvangen, in verband. De meeste planten, welker stuifmeel uitsluitend door luchtstroomingen wordt overgebracht, hebben tweehuizige of eenhuizige bloemen, en die, welke tweeslachtige bloemen ontwikkelen, zijn volledig dichogaam, dat wil zeggen, dat de geslachtsrijpheid bij meeldraden en stampers niet tegelijkertijd intreedt, en wel zoo, dat in elke bloem, uit welker helmknoppen geslachtsrijp stuifmeel wordt vrijgelaten, de stempels öf reeds volkomen verwelkt zijn en dus niet meer geschikt zijn voor de opneming der stuifmeelkorrels, öf wel in hun ontwikkeling nog zoo ver ten achteren zijn gebleven, dat ze nog niet geschikt zijn voor de bestuiving.

Een goed geslaagde bestuiving van de onmiddellijk naast de helmknoppen, in dezelfde bloem staande stempels, is dus bij de tweeslachtige, maatvol komen dichogame planten, uitgesloten. Zulke planten zijn bij voorbeeld Weegbree, Plantago; Zuring, Bumex; Glaskruid, Pu rietaria; Loogkruid, Salsola; Zoutgras, Triglochin; Fonteinkruid, PotoiHogeton. Hij deze bloemen moet het stuifmeel op de vleugels van den wind naar naburige bloemen worden overgebracht, welker stempels juist geschikt zijn, 0111 met succes te worden bestoven. Nu zijn echter bij al deze dichogame planten de bloemen met de rijpe stempels hooger geplaatst dan de helmknoppen, die liun stuifmeel aan de luchtstroomingen toevertrouwen, en dus moet hier het pollen, 0111 op de ter ontvangst van het stuifmeel gereed zijnde stempels te komen, den weg inslaan naar boven.

Nog in 't oog vallender is dit verschijnsel bij planten met eenhuizige bloemen. Van de takken der eiken, berken, elzen enz. hangen de stuivende katjes als schommelende kwastjes naar beneden, terwijl de bloemen met de rijpe stempels aan dezelfde of ook wel aan aangrenzende takken steeds daarboven staan, zooals de afbeelding op blz. 154 bij de els laat zien. Aan de takken der sparren zijn alleen de neerhangende zijtakken gesierd met de meeldraadbloemen, die vóór het stuiven, van verre gezien, bijna den indruk van 100de aardbeien maken, terwijl do te bestuiven stamperbloemen als kleine kegels aan dezelfde takken hoogerop als de kaarsen aan een kerstboom staan te prijken; ja vele sparren dragen enkel aan de bovenste takken, dichtbij den top. vrouwelijke bloemen; aan de onderste hebben ze alleen mannelijke of meeldraadbloemen en hier zou dus een bestuiving van de eerste volkomen onmogelijk zijn, als het stuifmeel enkel in horizontale richting door den wind werd weggevoerd. Zelfs bij tweehuizige planten neemt men zulk een lageren stand van de meeldraadbloemen waar, en die wordt bereikt, doordien de planten met mannelijke bloemen laag blijven, vergeleken bij die met vrouwelijke bloemen. Zoo ziet men

L

Sluiten