is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zachtste luchtstroompje het sieraad bewoog. Bij de in onze Vooralpen veel voorkomende Kuit soort, Thalictrum at[ u Heg ifolium, alsook bij de Siberische Sanguisorba alpina zijn de helmdraden van boven knotsvormig verdikt en, evenals die der Bocconia, zoo ingericht, dat ze zelfs bij zwak bewogen lucht gemakkelijk in schuddende beweging kunnen worden gebracht. De soorten van de geslachten Plantago, Weegbree, Thalictrum, Kuit en l'ltnus, Olm zijn ook in zoo ver opmerkelijk, dat de bij droog weer ontstane spleten in de helmknoppen, als er regen komt, zich snel sluiten en zoolang gesloten blijven, tot de regen heeft opgehouden en de lucht weer droog is geworden.

In alle tot hiertoe besproken gevallen komt het in de antheren voortgebrachte stuifmeel van de plaats, waar het is ontstaan, onmiddellijk in do omringende lucht. Nu zijn er echter ook nog vele planten, welker stuivend pollen uit de helmknoppen eerst op eene geschikte, tegen vocht beschutte plaats in de bloem valt, daar voor kortoren of langeren tijd blijft, en eerst dan, als de voor zijn verspreiding meest geschikte omstandigheden in de omgeving aanwezig zijn, door den wind wordt weggeblazen. Als tijdelijke bergplaats van zulk stuifmeel worden zeer verschillende deelen der bloem in gebruik genomen.

Hij de Dennen of Pij nb oom en, bij de Fijne en de Gewone Sparren dient, zonderling genoeg, de achterkant van een anderen meeldraad voor dit doel. Zoo is op blz. 16.3 de afbeelding gegeven van den Bergden, door de Duitschers „Legföhre genoemd, 1'inus montana en wel de variëteit pumilio | die ook in ons land niet geheel ontbreekt en bij Eerbeek nogal voorkomt!. bovenzijde van alle meeldraden is hier, zooals Fig. 1 doet zien, door het omhoog buigen van de zijranden, als ook door liet rondstaan van de groote, houtige schubben, waarin liet helnibindsel uitloopt, een weinig uitgehold; buitendien ziet men rechts en links van de middellijn van iederen meeldraad een ondiep groefje. Zooals men gemakkelijk kan waarnemen, dienen deze holten voor de opneming van het stuifmeel, dat uit de daarboven gelegen helmknoppen valt (zie Fig. 2); en daar meestal alle tot een aar saamgedrongen helmknoppen tegelijk openspringen, hebben ook alle meeldraden van de bedoelde aar tegelijkertijd het stoffijne poeder op hun rug, (zie Fig. 3). Zoolang de lucht in rust is, blijft het stuifmeel kalm liggen op de plek, waar liet i.s gevallen, maar zoodra schudt niet een windstoot de takken en twijgen der dennen, of het opgestapelde stuifmeel komt uit zijn schuilhoekjes te voorschijn, en men ziet geheele wolken van geel stof omhoog dwarrelen uit de aren, zooals de in Fiij. 1 afgebeelde tak dit te zien geeft.

Eenigszins afwijkend van deze voor dennen en sparren kenschetsende inrichting is die, welke bij Taxus, den Venijn boom, wordt waargenomen. Het helnibindsel van de meeldraden eindigt bij deze naaldboomen niet in een uitgeholde schub, maar in een cirkelvormig, aan den rand gekarteld plaatje of schildje. De helmknoppen schijnen onder of achter dat plaatje bevestigd te zijn, zooals op nevenstaande afbeelding in Fig. 1 is voorgesteld. Verder zijn de meeldraden tot ronde hoofdjes vereenigd en de schildvormige helmbindsels sluiten als een