Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarnaast men een geheel overeenkomstige reeks uit de bloemenwereld zou kunnen plaatsen. Aan de bontheid der kleuren van bloemenbezoekende dieren; den vorm der vlieginrichting bij kevers, vliegen, bijen, vlinders en vogels; aan de groote verscheidenheid der organen, waarmee de genoemde dieren hun voedsel uit de bloemen verkrijgen; aan de grijp werktuigen, waarmee ze de bloemen aanvatten en zich eraan vasthouden; aan de ruige haarbekleeding, waarmee ze het stuifmeel afstrijken, beantwoordt een even groote en er klaarblijkelijk evenwijdig mee loopende verscheidenheid van vormen en kleuren in het rijk der planten.

Gelijktijdig met het opengaan der eerste lentebloemen ontwaken ook de eerste Auroravlinders {Antocharis cardamiiiis) uit hun popomhulsels; bijen en hommels worden op zekeren zonnigen dag wakker uit hun winterslaap en tegelijk bieden de katjes der wilgen, te voorschijn dringend uit de bruine knopschubben, hun honig en stuifmeel den gasten aan. Vele bloemen, die in den vroegen morgen opengaan, worden alleen door bepaalde, op dienzelfden tijd hun nachtelijke rustplaatsen verlatende dagvlinders bezocht; zoodra zich deze bloemen bij zonsondergang sluiten, zoeken ook de genoemde dieren hun nachtkwartieren op, leggen de vleugels tegen elkander en blijven den geheelen nacht slapen. Andere bloemen gaan eerst open na zonsondergang, dus op een tijd, als de dagvlinders reeds ter ruste zijn gegaan; tot die nachtbloemen komen de spinners en spanners, de uilen en de sfinxen, die zich overdag in donkere hoekjes verborgen hebben gehouden, en eerst bij 't begin van de schemering aan uitvliegen denken. Dat zijn wederzijdsche betrekkingen tusschen de levensuitingen, die zelfs den oppervlakkigen toeschouwer elk jaar weer opnieuw in de vrije natuur treffen, en die ook reeds tallooze malen geschetst zijn geworden.

Tegenwoordig stellen wij ons echter niet meer tevreden met de schildering der feiten, maar wij vragen bij alle verschijnselen naar de nabijliggende of de meer verwijderde oorzaken en willen dien oorzakelijken samenhang graag bij alles loeren kennen, wat er zich afspeelt voor onze verwonderde blikken. Zoo doen zich dan allereerst de vragen voor, wat de insecten en kleine vogels drijft naar de bloemen, en welk voordeel er voor de plant voortvloeit uit de bezoeken, die aan hun bloemen worden gebracht.

Het antwoord op de eerste vraag luidt, dat in sommige gevallen het de zorg is voor het nageslacht, in andere de aangenaamheid van een veilig onderkomen bij ongunstige weersgesteldheid en in de meeste gevallen behoefte aan voedsel. De bloemen nu bieden den dieren een broedplaats voor hun nakomelingschap, een tijdelijk behagelijk onderkomen en het gezochte voedsel niet aan, zonder een wederdienst te verlangen; ze zijn namelijk zoo ingericht, dat door hen de bezoekende dieren met stuifmeel worden beladen, dat dan verder op andere bloemen wordt overgebracht en daar, op de stempels afgezet, veranderingen ondergaat, die tot het ontstaan van zaad aanleiding geven. Het is nu de opgaaf van de volgende regelen, dit zeer

Sluiten