is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voormiddag buigen zich de dunne lielmdraden van do tot den buitensten kring behoorende meeldraden naar buiten, en de antheren vallen af. In enkele weinige gevallen blijven ze als verschrompelde leeren zakjes aan de toppen der achterover gekromde helmdraden hangen. Den volgenden avond komt de tweede in deze bloemen aanwezige krans van meeldraden aan de beurt, en juist op dezelfde manier als do eerste maal worden vijf helmknoppen voor de monding der bloem geplaatst, springen bij vallende duisternis open en bieden hun stuifmeel aan. Den derden dag buigen ook die meeldraden zich terug, waarbij ook hun helmknoppen gewoonlijk afvallen, en bij 't vallen der schemering komen nu de lange, gekronkelde, fluweelachtige stempels naar buiten, die tot hiertoe op den bodem der bloem in saamgevouwen toestand hadden gelegen.

Met deze veranderingen in den stand van meeldraden en stempels gaan bepaalde wijzigingen in den stand van de bloenibekleedselen gepaard. Er werd reeds gezegd, dat de in den knop opgerolde kroonbladeren den eersten dag van den bloei zich ontrollen, zich stervormig uitgespreid vertoonen en zelfs een weinig naar achteren omslaan. Ook ontwikkelen de bloemen in dien tijd een heerlijken geur. die aan hyacinthen herinnert, en talrijke nachtelijke insecten aanlokt, maar die enkel aanwezig is van acht uur 's avonds tot tegen drie uur in den morgen. Hij 't aanbreken van den dag beginnen de bloembladen zich weer 0111 te buigen en wel bij zacht weêr en heldere lucht sneller dan bij koud weêr en een bedekten hemel. Bij dit opnieuw naar elkaar toebuigen krijgen de kroonbladeren ook vouwen in de lengte, worden rimpelig

Hot Knikkend L ij 111 kruid, Silene n uta n s, des nachts. Een der bloemen wordt bezocht dooiden nachtvlinder Dianthoecia albimacula.

en geribd, en vormen nu met hun vijven een de opening der bloem omgevend kluwentje, dat bij een vluchtige beschouwing doet gelooven, dat de bloeitijd reeds voorbij is. zooals de afbeelding op de vorige bladzij laat zien. Maar zoodra de avond nadert, verdwijnen de rimpels, de kroonbladeren worden weer glad, ontrollen zich, spreiden zich weer als sterretjes uit en slaan opnieuw iets naar achteren.

Een eigenaardigheid van deze bloemen bestaat ook daarin, dat de binnenzijde der kroonbladeren wit, de buitenzijde vuilgeel, groenachtig of bruin, ook wel dofrood of bijna aschgrauw is, maar altijd ten minste een niet in 't oog vallende, fletse kleur draagt. Terwijl de stervormig uitgespreide en teruggeslagen kroonbladeren, die de binnenzijde naar buiten keeren, met hun witte kleur in de schemering des avonds zeer in het oog vallen, zijn de opgerolde,