Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlinders puren er honig, en de wijfjes vinden de voor haar alleen geschikte broedplaatsen voor de eieren. De wederdienst, dien de vlinders aan die groep der Muurachtige gewassen bewijzen, bestaat daarin, dat ze het stuifmeel van de eene bloem naar de andere vervoeren, en daardoor het ontstaan van zaad teweegbrengen, dat anders zeker niet zou worden gevormd.

De hier geschetste betrekkingen tusschen de kleine uilen uit de geslachten Didiithoeciu en Ma mest ra en de planten der Caryophylleeën uit de geslachten Silene, Lijchnis en S«i>onaria komen nog voor bij verschillende andere groepen van vlinders en bloemen. Zoo staan verscheiden soorten van de kleine blauwe dagvlinders uit het geslacht Lj/raemi, de Blauwtjes, tot de familie der l'eulgewassen en Rosaceeën in een dergelijke verhouding.

De mooie Lyeaena In/lus b.v. bezoekt de bloemen van het W o n d k r u i d, Aiitht/llis mlueraiia |een ook bij ons vrij algemeen in het wild voorkomende Papillionacee | en vervoert bij die bezoeken liet stuifmeel van de eene plant naar de andere. Het wijfje legt haar eieren in het vruchtbeginsel der bezochte bloemen, en uit de eieren komen rupsen voor den dag, die zich voeden met de jonge zaden. In volwassen toestand verlaten de rupsen het vruchtbeginsel en kruipen in den grond, om daar in een pop te veranderen. Dezelfde betrekking bestaat tusschen de Zuideuropeesche Lycueim buetica en den heester Colutea arboresrens, den Hl aasstruik | die met zijn eigenaardige opgeblazen peulen ten onzent zooveel in tuinen gevonden wordt|; verder tusschen Lyraenu Arcas en het Sorbenkruid, Sanyiiisorba of/ii-iiinlis, eon Kosacee, en vele andere. [Ofschoon de genoemde planten, zoowel als vele soorten van Blauwtjes of Lycaena's, hier te lande voorkomen, zijn toch de bovengenoemde soorten van deze ten onzent niet inheemsch|. 0[> de bloemen der bedoelde planten komen echter, behalve vlinders nog andere insecten aanvliegen, die geen eieren in het vruchtbeginsel leggen en als loon voor de overbrenging van het stuifmeel enkel honig erlangen, zoodat deze gevallen eigenlijk slechts voor een deel thuis behooren in de rubriek die wij thans bespreken.

Daarentegen heeft men de levensgeschiedenis loeren kennen van een nachtvlinder, die leeft op de soorten van 't geslacht Yuccu, die een doosvrucht bezitten, namelijk de 1'roiiuba yuccasella, en deze is een der merkwaardigste voorbeelden van de overbrenging van stuifmeel door eierleggende insecten, waarom wij er hier iets langer bij zullen stilstaan.

De bloemen van alle soorten, die tot het geslacht Yuccu behooren, staan in groote pluimen bijeen, zooals de afbeelding op blz. :Ui7 van Deel II laat zien, zijn klokvormig en hangen aan gladde, groene stelen. De bloeindekbladeren, zes in getal, hebben een geelwitte of rozeroode kleur en zijn dientengevolge in de schemering en in nachten, waarin de maan schijnt of sterren eenig licht verspreiden, op vrij grooten afstand zichtbaar. Na het openen der bloemknoppen, wat geregeld des avonds gebeurt, vormen de bloemdekbladeren een wijd geopende klok, zooals de afbeelding op blz. 179 in Fiy. 2 laat zien. Gelijktijdig met het uiteenwijken der bloemdekbladeren springen ook de kleine helmknoppen open, die op dikke, knobbelige, naar buiten gekromde helmdraden bevestigd zijn, en

A. Kerner von Marii.ain, Hut leven <ler planten. III. 12

Sluiten