Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i/rosm um wordt genoemd, komt door de monding der urn in de binnenruimte, brengt daar de legboor loodrecht in liet stijlkanaal van een bloem en zet, dichtbij de kern van den zaadknop, een ei af. De witte, pootlooze larve, die zich uit het ei ontwikkelt, groeit snel en beslaat weldra de geheele ruimte in het vruchtbeginsel, terwijl de zaadknop te niet gaat. Nu is het vruchtbeginsel tot een gal geworden, die op blz. 179 in Fi<j. 14 is voorgesteld. Als de kleine wespen volwassen zijn, verlaten ze de gallen. De vleugellooze mannetjes komen het eerst uit en wel door een opening, welke zij bijten in de gal, die hen herbergt. De wijfjes blijven nog eenigen tijd in de gal en worden er door de mannetjes bevrucht. Nadat dit gebeurd is, komen ook zij uit hun woning, (zie Fit/. 15), houden zich echter slechts korten tijd op in de holte deiurn, en zoeken zoodra mogelijk uit de urn naar buiten te komen in de open lucht.

Om daartoe te geraken klauteren de wijfjes naar de opening van den beker, waarbij ze met het stuifmeel van de daar ontwikkelde mannelijke bloemen in aanraking komen en zich er kop en borst, achterlijf, pooten en vleugels, in 't kort het gansche lichaam mee bepoederen. Nadat ze zich ook nog hebben doorgewerkt tusschen de schubvormige blaadjes aan den mond der ui n door, zijn ze eindelijk aan den buitenkant dor urn beland, laten er' de vleugels drogen en loopen nu naar andere bekers aan dezelfde of een naburige plant. Het woord loopen moet hier noodzakelijk gebruikt worden, want van de vleugels maken ze bij deze verandering van plaats zelden gebruik. Ze zoeken nu uitsluitend die urnen op, die in een jonger ontwikkelingsstadium verkeeren, om daar de eieren in de vruchtbeginsels te loggen, loopen daartoe naar de opening van de urn en sluipen tusschen de zich daar bevindende schubjes in de binnenruimte. Hij deze gelegenheid worden somwijlen de vleugels beschadigd ja, het gebeurt wel, dat die geheel afbreken en tusschen de blaadjes bij de urnopening blijven hangen.

In de binnenruimte van den beker gekomen, gaan de wijfjeswespen dadelijk eierleggen, waarbij ze onvermijdelijk met de stempels der vrouwelijke bloemen in aanraking komen. Daar de wespen nog steeds bestoven zijn met de stuifmeelkorrels, die ze hebben meegevoerd bij 't verlaten van hun geboorteplaats, worden die korrels afgestreken op de stempels en aldus wordt stuifmeel uit de eene urn in de andere overgebracht. Komt het stuifmeel op normale vrouwelijke bloemen, dan kunnen die kiemkrachtige zaden ontwikkelen; komt het terecht op galbloemen, dan blijft het in den regel zonder uitwerking, omdat de stempels van die galbloemen meer of minder mislukt zijn. Overigens ontstaan er in deze galbloemen ook daarom geen zaden, wijl op hunne plaats de eieren der wespen gelegd zijn. Bij die soorten van Vijgen, waar de galbloemen niet op een bijzondere manier zijn voorbereid, worden de eieren gelegd in een deel der normaal aangelegde vrouwelijke bloemen.

Bij den Gewonen Vijg, Fius carira, heeft men echter de waarneming gedaan, dat de in normale vrouwelijke bloemen door BI<iato]ih<i</a >/rosxorun> gelegde eieren niet tot ontwikkeling komen, of met andere woorden, dat zulk

Sluiten