Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

honig voortgebracht en wel zoo overvloedig, dat hij soms tot in de mondin»van de spoor omhoog stijgt.

En nu komen eindelijk de nectariën van de bloemkroon aan de beurt Hoewel de honigbereidende weefsels, die zich op den bloembodem hebben ontwikkeld, als ook die op de vruchtbladeren, de meeldraden, het bloemdek en den kelk groote en opmerkelijke verschillen vertoonen, toch zijn die verschillen van geringe beteekenis in vergelijking met den vormenrijkdom, die er valt op te merken aan wat. in dezen de bloemkroon te aanschouwen geeft. Het is niet mogelijk, 111 dit werk al die vormen volledig te behandelen en te beschrijven, en wij moeten ermee volstaan, de merkwaardigste en voor de verder volgende schilderingen van bepaalde verschijnselen in het bloemenleven belangrijkste vormen in een overzicht saam te voegen.

Bij de bloemkronen van de Toortsen, vooral bij die van Verbasen,n blattana, Mot werende Toorts, en Verbascum phoeniceum, Violette Toorts, [beide ten onzent slechts zeldzaam in 't wild voorkomende] heeft de afscheiding van honig op het benedenste groote kroonblad plaats en wel in den vorm van talrijke over het middelveld van dat blad verspreide druppeltjes. Elk druppeltje komt uit een huidmondje te voorschijn, en men ziet dus, als de bloemkroon opengaat, dit blad als met dauw beslagen. Dat is echter in 't algemeen genomen het zeldzaamste geval: gewoonlijk vloeien de afgescheiden druppeltjes ineen tot een massa, en men ziet dan op het een of ander klein plekje een grooteren druppel liggen. Door de windende soorten van 't geslacht Kamperfoelie zooals Lonieera eaprifolium, de Echte Kamperfoelie, en Lonieera perieUjineiium, de Wilde Kamperfoelie, benevens Lonieera etruscu, Lonicem grata Unieera ernplexa; door de Berendruiven, Arctostaphylos alpina en Arctostaphyloxuva ursi; door Allionia en Crurianella; door 1'irola secunda, het Knikkend Wintergroen, alsook nog door tal van andere planten wordt de honig op de laatst, beschreven manier in het benedengedeelte van de buis- of klokvormi"-e bloemkroon afgescheiden. Bij de Alpenrozen, Mododendron ferriujhmnn en hirmtum en bij Stofzaad, Monotropa, is het honigafscheidende deel van de bloemkroon vleezig verdikt en elk der met elkander vergroeide k'roonbladeren is beneden met een groefje uitgehold.

Ook in de stervormige kronen van de tot de Gentianeeën behoorende Op hel ia s is elk dor kroonbladeren beneden voorzien van een nectargroefje. In de bloemen van de niet-klimmende Kamperfoelies, zooals Lonieera alpigena, de Alpen Kamperfoelie; Lonieera nigra, de Zwarte KamperfoelieLonieera xylosteum, de Roode Kamperfoelie e. a. heeft de bloemkroon boven den voet een honigvormende uitzakking, en bij de Caleeo 1 a r i a's. de eigenaardig gevormde bloemen, die ook Mutsjes of Pantoffeltjes genoemd worden, als Calceolaria amplexieaidis, floribnnda, paronii etc., wordt het nectargroefje aangetroffen op het einde van het omgeslagen benedenste bloemblad, als 111 een afzonderlijk hokje geborgen. De bloemkroon van de Valeriaansoorten, zooals Valeriana globulariaefolia, montana, offieinalis e. a. | waarvan de laatstgenoemde, de Gewone Valeriaan, ten onzent zeer algemeen voor-

Sluiten