Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt| brengt den honig voort in oen kleine uitzakking, die onder aan de kroonbuis is op te nierken, zooals nevenstaande afbeelding doet zien; en in de bloemen van 't Vet blad, I'inguicula, versmalt zich de kroon achterwaarts tot een spitse, holle, honigvoerende spoor.

Bij de bloemen der Balsemienachtigen, zooals de Gewone of Tuin Balsamien, Impatiens balsamina of Ba lm mi na femina en ook bij het Springzaad, Impatiens noli langere, is slechts één der vijf kroonbladeren voorzien van een honigbereidende spoor; in die van Akelei, Aquilegia, is daarentegen elk kroonblad tot een lange spoor verlengd, die in haar een weinig verwijde top honig ontwikkelt. l)e kleine, witte kroonbladeren van Zonnedauw, Drosera,

aa» AAn >v/*1 nti nnrvnl nn lint \l*nn4'cnl

lil111 cicill UU1I ïDloiuam l/Ut vvu gV-au ""gvi vu uvv i.

van dien nagel scheidt een weinig honig af. Eveneens is het gesteld met de bloemen van de Boterbloem, Uanuncitlttx, maar daar is het honigvoortbrengende weefsel scherp begrensd en dient als bekleeding van een cirkelrond of ovaal groefje, dat in vele gevallen, zooals bijvoorbeeld bij Jtaiiunculux alpestris, onbedekt, daarentegen in andere gevallen, als bij lianunculus ijlacialis door een schubje bedekt is, zooals de afbeelding op blz. 198 in Fig. 6, 7 en 8 laat zien.

De bloemen van de tot de Fumariaceeën behoorende Ih/peeniiui vertoonen twee tegenover elkaar staande, in drie

slippon gedeelde kroonbladeren, en aan den voet daarvan is Blo V!111 (lo (io. onder liet middelste slipje een betrekkelijk grooto holte te wono Valeriaan, zien, die met den daar geproduceerden overvloedigen honig 1 il''iV"gtecionfsi'ód'''N gevuld is, zooals de afbeelding op blz. 207 in Fig. 5 en (>

doet zien. Zeer eigenaardig zijn ook de nectariën in de bloemen van de tot de (lentianoeën behoorende Sirertia perennix. Eenige millimeters boven den bodem der bloem ziet men op elk kroonblad twee groefjes, die door een stevigen ringvormigen wal zijn omgeven, en van dat walletje gaan lange franjes uit, die een soort van traliewerk over het groefje vormen. Het weefsel, dat het groefje van binnen bekleedt, scheidt overvloedig honig af, en daar het traliewerk de bolte niet geheel bedekt, ziet men den honig tusschen de franjes meer of minder duidelijk doorschemeren.

Op deze plaats moeten wij ook gewagen van de merkwaardige nectariën, die men vindt ingevoegd tusschen de kroonbladeren en de meeldraden bij de bloemen van veel Droseraceeën, Berber ideeën en lianunculaceeën, en waarvoor in den laatsten tijd weldenaam honigbladeren is voorgesteld. Zij vertoonen de zonderlingste vormen en beantwoorden slechts in geringe mate aan de voorstelling, die men zich gewoonlijk maakt van een blad. Zoo bij voorbeeld hebben «e bij liet tot de Saxifragineeën behoorende Parnaskruid, I'aniassia pahistrix, den vorm eener hand, op welker holle zijde twee lionigafscheidende gleuven zijn te zien, terwijl de aan de vingers der hand beantwoordende elf dunne aanhangsels in rondachtige knopjes eindigen. In de bloemen der tot de Berberideeën behoorende sierplant Epimviliuin hebben ze de

Sluiten