Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaante van een pantoffel, in die van Xifjella uit de familie der Ranunculaceeën, [waartoe ons vroeger vooral nog al veel gekweekt Juffertje in 't groen, yigella damascena behoort], doen ze zich voor als gesteelde, toegedekte schotels of schalen, zooals onderstaande afbeelding voor een paar soorten van Ni ge 11 a's laat zien.

In de bloemen van Monnikskap, Aconitum, hebben die „honigblad eren" nu eens den vorm van eene Phrygische muts, dan weer van een kapje of een hoorn, en worden gedragen op een langen, rechtovereindstaanden, in de lengte met gootjes doorgroefden steel. In de bloemen van de eveneens tot de Helleboreeën behoorende Isopf/nun, als ook in die van Cimivifuga bezitten ze den vorm van kortgesteelde lepels of schoffels en hebben soms op den top twee in hunne beteekenis nog niet verklaarde punten, die in een knopje eindigen. De bloemen van Eranthis, de Winteraconiet of Winterbloem, alsook

i)e zoogenaamde honigbladen van Nigella. 1. Een honigblad van Niyella clata. 2. Hetzelfde in lengtedoorsnede. 3. Een honigblad van Nigella satira, van boven gezien. 4. Hetzelfde, na verwijdering van het dekseltje, ilat liet honigbakje afsluit. — Alle figuren een weinig vergroot.

die van Ifelleborus, Nieskruid, hebben binnen de groote kelkbladeren peperhuisvormige, of beker- of buisvormige nectaiiën met schuin afgesneden opening; en die van de daarmede nauw verwante, mede wel als sierplant gekweekte Trollius hebben vele spatel vorm ige nectaiiën. die in het benedenste derde gedeelte een weinig geknikt en verdikt zijn en daar voorzien zijn van een honigafscheidend groefje, zooals de afbeelding op blz. 125, in Fig. Iaat zien.

In de bloemen van sommige Anemonen, met name van de fraaie grootbloemige op de Hoogalpen voorkomende Anemone eenmlis en de | bij ons niet ontbrekende, maar zeldzame] Anemone pulsiitilla, de Paarse Anemoon of Wildemanskruid (de eerste ook nog wel aangeduid met den verouderden naam l'ulsotilla verixdis en de tweede als I'ulsntilla rnlgaris), ziet men tusschen de groote, vlakke bloemdekbladeren en de met helmknoppen gekroonde meeldraden in twee of drie spiralen kleine kolfvormige lichaampjes ingevoegd, die zeer overvloedig honig afscheiden, waardoor de voet der dicht erbij staande helmdraden wordt bevochtigd. Al die „honigbladeren" kan men evenzoo goed voor metamorphosen van kroonbladeren als voor veranderde meeldraden houden. Die van Epimedium, yigella, Aconitum en Isopgnim doen meer denken aan kroonbladeren, die van Trollius en I'uhutilln inéer aan meeldraden. In Deel 11,

Sluiten